

Pagina 6 van het originele manuscript
6
Het was in vage bewoordingen gesteld. Pedro zei dat het juridisch waardeloos was, dus tekende ik. De laatste week voor vertrek was moeilijk: Sas had gesmeekt en gehuild om me nog te zien en bij me te blijven, maar toen ze er eenmaal was haalde ze zo veel mogelijk mensen het huis binnen en als we alleen waren, verdween ze en kwam ze in het holst van de nacht thuis. Dat deed me geen goed. Op de dag van vertrek had ik het idee dat ze ergens opgelucht was, alsof ze ergens van af was, ze deed heel afstandelijk, hoofdzakelijk zelfbescherming. Die dag nam ik ook het besluit om Sas niet meer te zien als ik terug kwam.
Die ochtend was mooi en zonnig. Ik voelde niks meer, was alleen doodmoe. Erik reed me naar het vliegveld, Marion, Ankie en Sas gingen mee en op het laatst kwamen Odet en Michael. Odet fluisterde in mijn oor of ik toestemming gaf voor scheiding (ik was haar getuige geweest). Dat hoorde ik voor het eerst, ik zei ja. Ik zag voor het eerst mijn drie Hollandse reisgenoten, maar ik keek nauwelijks. Ik deed maar net alsof het een gewone dag was, ik wist dat een vliegreis een totale aanval was. Ik was naar Den Haag en Rotterdam geweest voor visa en dat was een bezoeking geweest, een acid nachtmerrie. We vlogen eerst naar Londen: ik zat naast Patries. Op Heathrow vroeg ze wat er mis was met Sas, die kende ze van vroeger (Harbert ook). Ik vertelde het in tien minuten, ze was met me begaan en zei dat God ook zo'n verdriet had gehad toen de mens hem door de zondeval in de steek liet; ze zag hier Satan aan het werk. Ik zei niets meer, te moe voor een theologische dialoog.
We vlogen door naar New York. Ik bleef in een soort schemer, ik zat naast René, een van de drie. Hij was ook 30 en had zijn minnares verloren en was erdoor gebroken. Het zou ons misschien hebben moeten verbinden, maar dat gebeurde niet. Patries had ons beiden van elkaars toestand op de hoogte gebracht, we zeiden er allebei niks over, toen niet, de hele world tour niet. Toch stelde hij me een beetje gerust, omdat ik in elk geval zag dat hij niet gek was. Hij studeerde godsdienstpsychologie in Nijmegen en had zich al twee jaar lang in de Moonies verdiept en zo Patries leren kennen. Hij wist alles van ze en zou zich zeker niet in de luren laten leggen. Ik had dus een bondgenoot, maar het was duidelijk dat hij zich onzichtbaar wilde houden, omdat hij zijn contacten met de Moonies niet in gevaar wilde brengen. Hij had een enorm veel apparatuur bij zich, en zou uiteindelijk met 5000 dia's en meer dan 50 cassettes mee naar huis brengen of opsturen. Behalve aan het begin, toen ik dit alles te weten kwam, heb ik verder niets meer gezegd, alleen af en toe naar hem gekeken. Hij had kroezig zwart haar, half lang, snor en baard en bril, vrij gedrongen, niet klein en een zachte g. Ik associeerde hem met mijn achterneef Genio, geen idee waarom, afgezien van het zuidelijk timbre in zijn stem.
7
Patries was druk met de derde reisgenoot, een meisje uit Nijmegen, antropologiestudente, 28, die Hadewych heette, naar een middeleeuwse mystica, vertelde ze veel later. Het was een forse dame met vlammend rood haar, een bril, een heel grof gezicht en ook al een zachte g, duidelijk een vriendin van Patries. Met zijn tweeën hadden ze een eigenaardig spel: Patries had een flemerige, licht stekende plagerige toon tegen haar, kraamde allerlei fantasieën uit, waarin zijzelf de koningin was en Hadewych de dienares. Patries had een of andere vat op haar, ik vond het eng. Patries was niet veel veranderd met de jaren, alleen zelfverzekerder geworden en een heuse dame; ze zat in sjiek groen mantelpak, had een tjokvolle beautycase waar je niet goed van werd, waarin ook een zalfje zat dat ze op m'n oor smeerde om de stekende pijn na het opstijgen te bestrijden. Ik was een beetje verkouden, daar kwam de pijn van. Patries had belachelijk veel bagage en leek een onverwoestbaar optimisme te hebben. Per slot van rekening zouden ze de volgende dag gaan trouwen met het massahuwelijk. Ze had niemand van haar familie mee kunnen krijgen, dus moest ik voor hen de honneurs waarnemen.
Toen we vroeg in de avond op JFK aankwamen leek het alsof ik het toppunt van gevoelloosheid had bereikt, wat eigenlijk weldadig aandeed, zolang ik maar niet out ging. Tot dan toe in Holland hadden alle zenuwen juist recht overeind gestaan, verpletterd door een overdosis aan zintuiglijke indrukken, zoals in acidtrips die te hard gaan. Na de landing zaten mijn oren ook nog dicht, wat het effect versterkte. Ik had gedacht dat JFK heavy was en de officials onvriendelijk, maar ik zag er niks van. Na tijden in neonverlichte lage hallen kwam ik in een oude hal waar licht van buiten kwam en een mooie vrouw meteen onze paspoorten innam (voor de visa voor China zei ze). René en ik waren allebei te moe om ons iets af te vragen. Meteen daarop kwam een jonge zwarte op me af, die zich voorstelde als een participant (zo werden de studenten die deelnamen aan de Mooniereis betiteld), met een zuidelijk accent: ‘Hello, I'm Tariq Sharif, I'm from Tampa Florida. Call me T.’ Ik zei altijd Tariq tegen hem; hij was een zwarte moslim, 20, atletisch, maar zeker niet militant. Het was eigenlijk een brave jongen, maar ik had een goeie met hem. Hij was opgegroeid in New York, North Bronx.
Het was schemering, ik heb een poos naar de lucht zitten kijken. Een vage, lichte opwinding dat ik voor het eerst in New York was drong door de verdoving heen. Ik weet niet hoe lang we gewacht hebben. Een van twee Mooniejongens, die een relaxte indruk maakten, pikte ons op. Er kwam nog iemand bij, Michael Garde, een grote dikke pafferige Ier, met vlassig haar over zijn oren en een groot kruis over zijn borst, in spijkerpak, ergens in de 30. Het bleek een militante christen die veronderstelde dat ik een heuse Amsterdamse activist was en tegen me begon te praten. Ik poeierde hem af, ik was te moe om een woord uit te brengen. Ik denk dat het hem krenkte, hij zei niets meer.
8
Ik kreeg toch snel schik in hem: hij zong uit volle borst Ierse ballades en Beatle songs, waarbij hij de tekst ter plekke verzon. Ondertussen absorbeerde ik de snelwegen, auto's, wolkenkrabbers, de lichten en de lucht van New York, een imposant schouwspel. Michael zou een van de belangrijkste spelers in de strijd tegen de Moonies worden. Hij had in Dublin een groep Mennonieten (doopsgezinden), die hun revolutionaire roots van de 16e eeuw in ere hielden. Ik had geen flauw benul dat er zulk volk in Ierland was. De Mennonieten stammen uit Holland, vandaar zijn onmiddellijke belangstelling voor mij. Op één dag werd ik al samengebracht met Patries, een geval apart, haar dienares, de rode heks, een zwarte moslim en een Ierse mennoniet. Ik vroeg me af wat me nog te wachten stond.
Patries vergt eigenlijk een verhaal apart, maar ik zal het kort houden. Die heeft zo’n arsenaal aan unieke gezichtsuitdrukkingen en stembuigingen dat ze onmiddellijk opvalt. Ze praat met uitroepen en lange uithalen, woorden worden gerekt, ze cultiveert een kinderlijke naïviteit, versterkt door een brede mond, die lacht als mensen kijken. Ze werkt zich op om heel het lijden van de wereld te omarmen, praat tegen iedereen aan en op JFK sjouwde ze koffers voor willekeurige oudere passagiers die het best zelf konden. René zei dat ze een klassiek oedipaal geval was, met een obsessieve vaderbinding en daardoor ook een obsessieve incestverdringing en verdringing van alle seks. Toen ik hem veel later over Patries' jeugd vertelde paste dat precies. Ze verloor haar vader jong, nadat het gezin allang was ontwricht en pa en ma elkaar niet meer aankeken. Moon is haar vadersubstituut en de Moonies haar nieuwe familie. Ze heeft zich altijd al willen opofferen en geestelijk bezig zijn en ze kreeg stuiptrekkingen als kind wanneer ze haar zin niet kreeg, net als Moon zelf toen hij jong was. Achter al haar diepe begaanheid school de hysterie. Ze was een geboren Moonie, ik mocht haar graag, zowel voor als na de bekering. Pedro moest nooit iets van haar hebben, hij had afkeer en schaamte voor haar.
We zouden naar Barrytown gebracht worden, een hoofdkwartier van de Moonies. Ik dacht dat het een buitenwijk was, maar het bleek 2,5 uur rijden upstate New York, aan de Hudson. De rit was stil en gelijkmatig, maar ik kon niet meer, dingen begonnen te flikkeren en te draaien voor m’n ogen, ik was koortsig en buiten adem. Barrytown lag in de middle of nowhere midden in de bossen, een klooster door de Moonies gekocht en verheven tot hun Theological Seminary. We kwamen binnen in een rommelige ruimte met het licht, er was bijna niemand meer Ineens doemde Richardson voor me op; hij herkende me, startte een hartelijke verwelkoming, die hij ook doorzette, maar het werd een lege vorm. Midden stokte er iets: hij zag dat er iets niet klopte, zijn beeld van mij in Holland klopte niet met het beeld nu. Ik deed ook geen moeite om hem tegemoet te komen. Er lag teleurstelling en wantrouwen tegelijk in zijn ogen. Hij zag er moe uit.
9
Hij had iets speciaals in me gezien, en nu wist hij niet meer wat hij aan me had. Anderen staarden naar me, ik neem aan dat het door uitputting kwam, ik stond er verder niet bij stil. Hadewych kwam vlak achter me, begroette Richardson joviaal, maar hij herkende haar niet en hij maakte zich vrij bot van haar af en verdween. Geen goed begin.
We kregen belachelijke naamplaatjes en werden meteen naar de slaapzaal gedirigeerd. De jongensslaapzaal was met schotten ingedeeld in eenheden van twee stapelbedden, vier man dus. Michael sliep onder, ik boven. In bed lag ik te luisteren naar de geluiden, binnen en buiten: ik had het niet verwacht, maar het leek geruststellend. Ik sliep op een paar nachtmerries na goed in Barrytown: het was midden in de bossen, de lucht was goed. De andere ochtend zouden we naar het massahuwelijk in NY gaan. Ik wilde er sowieso voor Patries heen, maar iedereen moest verplicht mee.
Allen waren die dag aangekomen. Toen ze de volgende ochtend om 6 uur op moesten, was de moeheid alom te zien. Ik werd wakker. Het eerste wat ik zag was een kleine Boeddhistische monnik, 40 jaar ongeveer, die op de rand van het bed zat te praten met een Aziaat, die tegenover me sliep of nu dus wakker werd. Ik wist niet wat ik zag, wat deed zo iemand hier? De ander leek ook al tegen de 40. Ik had gedacht dat er alleen jonge studenten zouden zijn en ik een van de oudste. De monnik en de leek kwamen allebei van Nepal. Tegen de monnik heb ik nooit iets gezegd: het was een geleerde, die al het een en ander van de wereld gezien had, altijd op de achtergrond bleef, hij verried een lichte glimlach als de Moonies weer eens doordraafden. De leek bleek een zakenman, Krishna, die in no time gesteld op me raakte. In Barrytown heb ik veel met hem gekletst. Hij zei dat hij eigenaar was van een van de twee grootste travel agencies van Nepal en dat hij de eerste toeristen naar Nepal had gehaald. Hij had een hele groep Nepalezen bij elkaar geraapt om mee te doen met de reis. Wat hij er zelf te zoeken had, bleek later.
In de informatiestencils die de Moonies van tevoren hadden opgestuurd was geïnsinueerd dat nette kleding (en badpakken) vereist waren. 's Ochtends in de eetzaal kon ik niks anders uit de bonte mengeling van mensen opmaken dan dat ze er netjes uitzagen. Behalve Michael: hij was in spijkerpak, ik zag iedereen kijken, hij vertrok geen spier. Het lijkt gewoon maar een detail, maar dat was het niet: dit was het eerste teken van rebellie tegen de Moonieorde. Met zijn enorme lijf had hij iets onverzettelijks, de Moonies hebben het nooit gewaagd direct tegen hem in te gaan. Voor mij veranderde het alles. Ik was van plan geweest me onzichtbaar te maken, maar toen ik dat zag, besloot ik meteen Michael niet alleen te laten staan. Zelf dacht ik dat ik netjes was. Ik had zomaar wat kleren is m'n tas gepleurd de ochtend voor
10
het vertrek, maar er zaten een beige jasje en stropdassen bij. Ik had het jasje aan en de roze stropdas. Tot mijn stomme verbazing vroeg een Amerikaanse: ‘Are you a punkrocker?’ ‘No.’ ‘Oh yes you are!’ Ik had ook nog een roze spiegelzonnebril, dus ze was volkomen overtuigd. Ze zijn ook niks gewend daar.
Ik kreeg het al meteen aan de stok met het gezag: ik had mijn raamplaatje niet op en ik ging naast René zitten, wat niet mocht, want hij zat in een ander team dan ik. Ik gaf toe, ik begon me innerlijk schrap te zetten. De participants waren ingedeeld in teams, met team leaders, voornamelijk professoren en hun vrouwen: Moonies doen altijd heel sentimenteel over harmonische echtparen en de team leaders zouden morele voorbeelden voor ons moeten zijn. Elke team had zijn eigen tafel en je mocht alleen aan de tafel van je eigen team eten. Het leek wel een gereformeerd zomerkamp. Van mijn team had ik alleen aandacht voor één, in de rest had ik nog geen zin: Geraldine, omdat ze iets moois had, lang krullend blond haar en een wild schuwe blik in de ogen als een verschrikt dier. Ik denk dat we elkaars ellende meteen herkenden. Ze had net een miskraam achter de rug, bleek later. Het was opvallend dat veel van de participants recent veel verdriet hadden gehad. De Hollanders waren alle vier hurt bij love – zelfs Patries, die verondersteld werd geen liefdesleven te hebben – en in de loop van de tijd volgde het ene rampzalige verhaal na het andere. Het scheelt als je niet de enige bent.
Geraldine kwam van Wales en zag eruit zoals meisjes in 1970-75 die met langharig werkschuw tuig omgingen. De Nepalezen zeiden dat ze eruit zag als een hippie, maar dat ze wel wisten dat ze het niet was, want hippies zijn simpelweg altijd stoned. De Moonies hadden haar gevraagd ‘Do you have a desire to travel around the world?’ Ze had ja gezegd en dat was alles wat ze had hoeven doen om mee te kunnen. Zo makkelijk. Met haar en haar vriendin Debby heb ik naar het massahuwelijk zitten kijken. Over Debby was ik stomverbaasd: die zag er ook uit als een hippie, maar ze had een veel te laag uitgesneden jurk. Meer nog dan Michaels spijkerpak was het een klap in het gezicht van de Moonies. Ze zag er wild uit, groot, dik, wild zwart lang krulhaar, een spleet tussen haar voortanden, brutale blik en een prachtige vette lach, kortom lekker ordinair (zou Menno zeggen). Ze had overal schijt aan, ze zou een van de belangrijkste mensen in het verzet legen de Moonies worden. Trouwens Geraldine had haar lover Chris mee op reis, zonder dat de Moonies het door hadden dat ze lovers waren. Tegen de tijd dat de Moonies het door hadden, werd er al zoveel gerotzooid dat het geen zin had tegen hen op te treden. Debby zei dat ze boeddhist was, ‘more or less’, ze had net een slopende scheiding achter de rug.
Naar aflevering 3
Naar INHOUD