Last Tango In Korea

De Mooniereis van 1981

 

 

AFLEVERING 20

 

 

96

 

opnieuw verloor Bob Mason zijn beheersing tegen mij, hij was woedend, razend. Hij zei dat wij (ik dus en mijn vrienden) er op uit waren de tour stuk te laten lopen. Ik gooide hem alle gekonkel van de leiding voor de voeten, lekker langs elkaar heen. Kaci smelled disaster, Mason leek naar een explosie toe te groeien. In een keer schreeuwde ze: ‘Shut up, both of you, Charles has the floor’. Ze wenkte en Charley de mormoon viel in. Ik vond dat mijn woorden (zonder stemverheffing) zo'n ingreep niet verdienden, maar ik voelde wel dat het een paniekreactie was. In Jeruzalem had Mason me nog na afloop van onze eerste confrontatie omarmd en gezegd dat we vrienden waren; nu niet meer. Geraldine zei na afloop: ‘He could kill you. If you’d looked into his eyes, he could've killed you.’ De anderen waren zwijgend, onder de indruk. Mason was inderdaad iets aparts, maar het aantal moordende blikken van Moonies naar mij toe, over de hele reis genomen, is ontelbaar. 

 

   [notitie door Laurens in de kantlijn:   

 

     1983

     ------- 

     1984

 

    Het handschrift hierna is anders, dus waarschijnlijk gaat het om de datering van het manuscript] 

    

In Barrytown moest ik al denken aan het laatste jaar op het gymnasium. Voor je er erg in hebt ben je een rebellenleider, die de strijd niet tot het eind doorzet, maar verdwijnt in een privé-universum, ... toch niet helemaal, het blijft een lastpak. Toen was het een overzichtelijke groep op school, ca. 350 man, nu ook. Terwijl de spanning binnen het reisgezelschap steeg, gleed ik heel ergens anders heen. De piramide was de eerste stap, tot mijn verrassing. Een paar maanden daarvoor had ik plezierig gepraat over Cairo met Eriks zus, die er geweest was: de piramiden had ze niet eens gezien, als was het beneden haar stand. Zelf taalde ik er ook niet naar, die dagen waren er al zoveel gedachten; ik had geen tijd voor die toeristen attractie. Maar omdat hij op een steenworp afstand lag moest je er wel naar kijken. Sharon vroeg of ik mee wilde proberen naar de top te komen, ik stemde meteen in.

‘s Ochtends heel vroeg togen we erheen: het lopen ging een stuk makkelijker dan de eerste keer. Ik wist dat de piramide bewaakt werd en dat je er in principe niet op mocht: het verhaal ging dat te veel toeristen die er 's nachts bezopen op klommen er af waren geflikkerd. In de buurt hield een woestijnman met geweer ons ons tegen; hij toonde een politiekaart, die ik niet serieus nam. Ik hield hem aan de praat en hij wees me de juiste hoek van waar je hem moest beklimmen, andere beginpunten waren te link, het is erg verbrokkeld daar allemaal. Ik paaide hem dat we hem

 

97

 

zouden betalen als we weer beneden waren. Hij wilde ons zelf ook wel naar boven brengen; dat weigerde ik. Uiteindelijk gaf hij toe, we klommen naar boven, ik kon elke stap een rotsblok omhoog. Sharon niet, omdat ze kleiner was. We waren net begonnen, of we zagen een tweede Arabier aan komen, die heftig schreeuwde naar de eerste en naar ons wees, ze vlogen elkaar aan. Ik riep tegen Sharon niet ernaar te kijken en snel omhoog te klimmen, zodat ze ons niet meer konden inhalen.

Ik heb verder niet meer gekeken en ben zonder pauze naar de top gelopen. Het was al na de dageraad. Boven is een plat vlak met wat losse stenen en een metalen driepoot. Overal krioelde het van  de graffiti, volstrekt fantasieloos, Killroy was here, dat peil. Ik kon me niet concentreren op het uitzicht, het viel niet mee het besef vast te houden dat ik op een hoog punt stond met uitzicht. Als ik ergens naar keek, was het de iets kleinere piramide van Chefren. Alle gedachten haperden, ik gat het snel op, Sharon zei ook niets. Ik zat aan de kant van Chefren, op mijn hurken aan de uiterste rand, zachtjes te wiegen. Geleidelijk kwam de zin op eraf te springen, niet om er een eind aan te maken, maar om het ware genoegen van springen. Schier eindeloos wiegde ik aan de rand, op een gegeven moment trok Sharon me bruusk terug, ze zei dat ze er het niet zou overleven als ik sprong. Ik was vrolijk, ik beloofde haar niet te springen.

Ze deed wat yoga, je kon er eigenlijk eindeloos blijven, als de felle zon niet tot je door zou dringen. We daalden op ons gemak af; mannen met geweren waren niet te bekennen, en we liepen naar ons ontbijt in de Holiday Inn. 's Ochtends met normaal licht ging het wel is de eetzaal, al waren de broodjes hard en taai. 's Avonds was het licht vals en leek iedereen onrustig en hard en betrapte ik mezelf op het idee dat niemand me moest. We staken de klim niet zonder stoelen of banken, maar ook geen hele verhalen. Maar het werd dezelfde dag nog een mythe, Sharon en ik werden nu alom als duo gezien. Debbie had graag ook gewild, ze had het alleen niet aangedurfd en de aansluiting met Sharon gemist. Ze vond het prachtig voor ons, ze had spijt voor zichzelf. Joe Bettis begon er enthousiast over in de lift; hij wilde er ook wel op (hij bedoelde: ik wil best mee). Ik ging er niet op in.

 

98

 

Dat zo'n klim ons status, ontzag en afgunst opleverde zag Sharon alleen maar als teken van slapheid van de participants, ze reageerde er helemaal niet op. Na het eten zag ik haar zwemmen, haast slow motion, lange halen, zwart glad badpak. Ze kon niet duiken, net als ik en ze was halfslachtig om het van Hadewych te leren, die het kon als geen ander; daarna verloor ik haar uit het oog.

's Middags ging ik met Geraldine voor het eerst naar de stad, het was leuk om haar er weer bij te hebben. Er ging een bus van onze tour naar de moskee van Ibn Tulun, volgens Klaus (een van de vier couriers) in het centrum. Klaus was nerveus, duidelijk onwennig in deze overweldigende stad.

Ik liep los van de rest langs de colonnades van Ibn Tulun en dwars over de binnenplaats. Het was er strak, leeg, donker en zwaar. Ik vroeg Klaus de weg, hij was er verlegen mee, hij wist het niet. Met Geraldine ben ik gewoon gaan lopen, door de krioelende straten, voor het eerst sinds de eerste reis naar India. Voor haar was het zeker zo spannend als voor mij: voor het eerst weer in het diepe, we zeiden niets. Opeens hoorden we twee korte vriendelijke sissen achter ons: het jonge meisje dat de hele tijd vlak achter ons had gelopen, draaide de hoek om en nam zo afscheid, ze keek vriendelijk. Ik dacht dat Geraldine een moment niet wist wat er gebeurde, dus ik legde het haar uit voor de zekerheid. Het was een mooie donkere wijk, grote hoge huizen, drukke straten, ingesloten tussen grote wegen. Het bleek dat we ver van het centrum af waren. Toen ik de grote wegen zag verging me de looplust, we namen een taxi. Er schoot me een woord te binnen, Khalili, Khan Khalili, de centrale bazaar. Dat klopte, de chauffeur vroeg niet veel tot mijn verbazing en was vriendelijk. Het was loeiheet, de bazaar prachtig, wilder dan Jeruzalem. Na vijf minuten liepen we Sharon en Hadewych tegen het lijf. Ze zagen er verwilderd uit, ze hadden al de hele dag door de bazaar gestruind en stonden op het punt terug te gaan, maar nu voor dit toeval gingen ze nog even door. Het punt is: Jeruzalem is te overzien, vroeg of laat moet je er wel uit komen, Cairo is geen eind aan. Het wasadembenemend stoffig. Op een gegeven moment zegen we neer voor een moskeetje tussen de balen, het was een druk punt, tegenover een poort waar de El-Azhar moskee is. Sharon zag iemand op de minaret staan, onmiddellijk

 

 

99

 

kreeg ze zin daar ook te staan, ze maakte gebaren, riep naar ze. Met mij ging ze er op uit; als we de weg naar boven wisten, zouden we Hadewych en Geraldine halen. El-Azhar werd mijn favoriete plek in Cairo: een prachtige moskee (klein entréegeld), een overwoekerde tuin met kranen en bassins, waar de moslims gebroederlijk hun handen, voeten en gezicht wassen. Als ze dat doen, zijn ze meestal vrolijk, lacherig en vreemdelingen welgenegen. Later zag ik hetzelfde in de Jame Mashid in Delhi. Het gewoel was achter je, je kon bijkomen, precies wat moslims zelf graag doen. De weg naar boven vonden we niet meteen, we moesten vragen, een wrakke deur door, over wat puin en dan wenteltrappen. De minaret was heel rank, heel hoog, met een magnifiek uitzicht over de hele stad, de lucht heiig, overal rook en stof, overal moskeeën, de binnenstad krioelend, laag op laag, op de daken woekerden de krotten. Daar bovenop stortplaatsen, geiten, was. Van dat uitzicht kon je niet genoeg krijgen. De andere twee waren snel boven, Geraldine zag net zo stoffig als de rest. ledereen had plezier in het uitzicht en de lichte bries boven. In de namiddag gingen we terug, lopend naar een plein vanwaar hotel busjes zouden vertrekken: het werd meer dan een uur lopen door een minder druk stuk, met een pauze in een juice-tent: de mango juice klokten we gelukzalig naar binnen. Later konden we die tent niet meer terugvinden en de mango juice was nergens beter. We kwamen uit op wat een stationsplein leek, geen hotelbus, dus na een tijdje wachten namen we een taxi. Aan de taxi's terug naar het hotel in de namiddag heb ik een gouden herinnering: het is een brede boulevard, (beelden, bloemen), sjiek aangelegd van het centrum naar Gizeh, tot aan de piramiden. De taxi’s scheuren er  als gekken, grote sleeën, jonge ranke chauffeurs die met blèrende cassettes stijlvol uitzonderlijk lange filtersigaretten roken (witte filters), die ze je ook steevast aanbieden. Ze rijden fantastisch, de ramen staan open, de ergste hitte is voorbij, de zon zakt bloedrood. Ik vond het zó’n plezier dat ik mezelf zeikerig vond als ik afdong, het ware zulke aardige jongens. Het verkeer in Cairo is sowieso een wonder om te zien, de dichtheid van de mensenmassa's evenaarde Indiaas peil.

 

100

 

Intussen viel het op dat de meeste participants niet op eigen houtje de stad ingingen: te ver, te intens, te heet. De tours waren hun enige mogelijkheid iets te zien. Die dag leverde tevredenheid op. Ik was het adres van Pietjes neef Bel, de muzikant kwijt helaas. Het Moonie programma bestond uit tours naar moskeeën, naar het museum en lezingen 's avonds. Michael probeerde een boottocht op de Nijl af te dwingen, maar de leiding was al minder kwistig met geld dan in Jeruzalem; we kregen de helft minder zakgeld, $5 per dag. Het officiële programma heb ik op een lezing na gemist. Op de kamer vertelde Pradeep op een gegeven moment enthousiast dat er die avond een lezing over city planning kwam, eindelijk iets anders dan dat religieuze gezever. Er kwam een typisch koloniale Engelse dame, die aan de hand van dia's in een donkere zoal iedereen in slaap praatte, prachtig: de hele voorste rij, Moonies en leiders lagen in bespottelijke houdingen over hun stoelen. De dame vertelde onverdroten door, zelf zat ik de hele tijd op de rand van slaap, ik vond haar stem geruststellend. Ik heb er zelfs iets van opgestoken: Cairo was van 3,5 miljoen in 1973 gegroeid naar 11 miljoen in 1982, zodat de infrastructuur kraakte. De hele bevolking van het Suez-gebied was na de Yom Kippoer oorlog naar hier gevlucht, plus alle andere toeloop. Alle monumenten, waarover ze met liefde sprak, gingen naar de haaien door vervuiling en verzakking, in een hoger tempo dan in Venetië. Het is een gedoemde stad.

Ze hield het uren vol, iedereen bleef zitten; op het eind schrokken de meesten wakker, enige gêne op sommige gezichten. De Engelse trok zich er niets van aan, iedereen was te suf om vragen te stellen, trouwens waarover? Niemand had het helemaal gevolgd.

Intussen begon de leiding zachte druk uit te oefenen op de participants om het programma te volgen. Het werd niet officieel afgekondigd, het was een geleidelijke campagne. Joe Bettis had in Israël gezegd everything is optional, nu werd het teruggedraaid. Het drong pas goed tot me door toen ik 's avonds Dinah briesend tegenkwam, ze stond op [springen]

 

Naar aflevering 21

 

Naar INHOUD