Last Tango In Korea

De Mooniereis van 1981

 

 

aflevering 24

 

116

 

Sharon en Ulrich kwamen die nacht ergens in de woestijn bij een hut terecht, waar ze vriendelijk werden ontvangen. Later waren ze er alle twee opgetogen over. Die dag had ik nog een ansicht naar mijn ouders gestuurd om hen gerust te stellen dat ik niet was gehersenspoeld. Die angst leek nu voor iedereen ver weg, alleen voor Korea, de laatste etappe was men bang. De couriers hadden daar de organisatie niet meer in handen, we zouden er te gast zijn bij de Koreaanse Unification Church. Zelfs Seth Grae vervulde dit met afgrijzen. Het plan was om bij onraad in Japan massaal onze tickets terug te eisen en de Moonies en andere collaborateurs alleen naar Korea te laten gaan.

Ik sliep als een blok. 's Ochtends heel vroeg werden we naar het vliegveld gebracht, half donker nog, ik zag nog een Hindoe- (misschien Sikh-) tempeltje. Met Alitalia stegen we op naar Rome, terug naar de beschaafde wereld. Krishna had voorlopig afscheid genomen, hij vloog naar Nepal.

Als ik een laatste keer terugkijk zie ik nog het zwembad, waar de blonde Canadees David Rowan met Amornruch aanpapte. Rowan was van SCARP, de studenten coverorganisatie van de Moonies, hij kende Richardson al voor de reis. Hij deed het goed, dat kon ik niet uitstaan. Verder wekte hij trouwens geen walging op.

Voor Patries had ik inmiddels alle aandacht verloren. Ik kon vroeger goed met haar opschieten, maar ze had zich zo door de Moonieleiding laten beïnvloeden dat ze verkrampt tegenover me stond. We hadden net zo goed vreemden kunnen zijn. Dat gold voor Hadewych en haar trouwens ook. Ik zei tegen haar dat als Patries nog eens aan de deur kwam ik me zou bedenken of ik open zou doen. Ze kon er allemaal niet veel aan doen, maar ergens nam ik het haar toch kwalijk. Met haar familie ging het al langer terug dan de Moonies. Die dingen speelden op een paar korte momenten, verder was ik er onverschillig onder. De meeste participants, nadat ze haar aanvankelijk zo aardig hadden gevonden, vonden haar nu geschift. Ze kwamen dan haar mij toe om naar haar te vragen, omdat het bekend was dat ik haar al jaren kende. Ik kon me er niet op concentreren, ik scheepte ze af met een paar gemeenplaatsen, geen enkele lust om over haar een boekje open te doen. Het punt waar velen waarschijnlijk niet uitkwamen was dat Patries, hoe gek ze ook was, toch een verbazend vermogen had om soms door iemands

 

117

 

schild heen te dringen, hoe deed ze dat? Zo dom als ze leek, kon ze toch soms iemand van zijn stuk brengen, heel onuitstaanbaar.

 

ROME

 

Ik zat naast Amornruch, ik vroeg haar ten huwelijk. Ineens kwam het in me op: gewoon in Rome trouwen voor de lol, Amornruch zou clan een Nederlands paspoort krijgen waardoor ze makkelijker over de wereld kon reizen en de Moonies zouden zich doodergeren. Van alle kanten probeerde ik haar zover te krijgen, maar ze wilde niet. Haar familie zou geheid gaan opspelen, ik kreeg het idee dat ze in Thailand het concept van trouwen voor de Iol nog niet kennen. Als ik met haar zou trouwen zouden ze er automatisch vanuit gaan dat ik iets van haar moest – dat zou ik ook denken als ik hun was. Toen ik zag dat zij zich ook begon of te vragen wat ik van haar moest hield ik er mee op, ik had er ook spijt van. Ze had al moeite genoeg met de andere jongens, ik wilde daar geen schepje bovenop doen. Dit was dus mijn eerste en enige huwelijksaanzoek tot nu toe, ik haastte me naar de plee om leeg te lopen. Ik besloot het drastisch aan te pakken: net zo lang vasten tot het over was.

Schuin voor me zat Rana. Hier viel hij me voor het eerst op, hij zat naast Marcella. Rana was zijn achternaam, net als Pradeep's fiancée van de Rana-familie, die tot 1953 als shoguns over Nepal hadden geheerst. Hij was midden in de 30, baardje, snorretje, rond gezicht, haar over de oren. Hij lachte de hele tijd, leek niets serieus te nemen, mij ook niet. Hij leek nergens bang voor, wond zich nergens over op. Hij had Marcella van Sange overgenomen, die dus gelijk ook de bittere kant van de liefde kon smaken. Gelukkig kennen boeddhisten een paar trucs die ze dan goed te stade komen. Sange bleef in stijl overeind. Marcella zei dat hij wel aardig leek, maar ook iets hards had. De oude monnik Sudarshan vond ze echt een goed mens. Sowieso, tot ieders verrassing, ging ze zich in de Nepalezen specialiseren. Over Rana was ze vol lof. Hij had veel gereisd, was getrouwd geweest, had kinderen, hij wist enorm veel. Tot Marcella's verbazing was hij net zo thuis in middel-

 

118

 

eeuwse mystici als zij zelf. Van Boeddhisme wist hij alles. Later werd het beeld van hem nog aangevuld: hij had een goeroe ergens in de Himalaya en ook nog een zenmeester. Zoals vele andere Nepalezen, bijvoorbeeld Laxman, had hij een voorliefde voor Japan. Hij had bizarre dingen gedaan als tijden lang 's nachts op begraafplaatsen mediteren om elk spoor van angst uit te wissen. Dat leek hem goed gelukt. Ik vond mezelf meteen een sufferd dat hij me niet eerder was opgevallen. Pradeep had ontzag voor hem, maar ze gingen niet veel met elkaar om. Rana werd waarschijnlijk bij zijn achternaam genoemd omdat die makkelijker was dan zijn voornaam Sridhar Shumsher. Hij had iets van een prins. Later vertelde hij met veel plezier dat zijn roommate Reggie, een Amerikaan, in het begin doodsbang van hem was en hem voor een Moonie aanzag. Pas in Egypte had Reggie al zijn moed bij elkaar geraapt en kwam het hoge woord eruit: ‘Are you a Moonie or not?’ Rana lag slap van het lachen. Deze episode is tekenend voor de paranoia onder de participants. Na Barrytown zakte het weliswaar, maar het verdween nooit helemaal en kon op elk moment weer naar boven worden gehaald. De hele reis heb ik nooit direct iets met Rana te maken gehad. Marcella ging met ons allebei om, dus ik hoorde wel veel. ledereen mocht Rana. Later, in ‘83 heb ik in Kathmandu de schade ingehaald, ik heb een heel goede herinnering aan hem.

Terug in Europa, ik was eigenlijk weer thuis. Italië is zo vertrouwd, en voor mij niet alleen. Ik hoorde Charlie zeggen: ‘This looks just like home’. Klaus intussen vond dat hij ons een Romeins geschiedenislesje moest geven, de microfoon stond weer veel te hard. Onze verblijfplaats was een verrassing: we werden gestald in een heus pelgrimsverblijf, gesticht door Benedictus de zoveelste, vlak voor 1900 gebouwd, plomp en lelijk. Het heette Domus Mariae, waar iedereen Domus Maria van maakte. Het lag wel mooi; zelf had het geen tuin, maar steil eronder was een open veld met bomen. Je keek een end naar beneden. Het lag aan de Via Aurelia, wel een flink eind van het Vaticaan af. Alles er grauw en arm uit, kaal, leeg, nare gangen, nare eetzaal,

 

119

 

alleen de bar vond ik wel wat hebben. Vooral de couriers dronken daar staande aan de bar hun likeurs. Onze kamer was benauwd, keek uit op een lege levenloze binnenplaats. Ik sliep met Pradeep en Fred op één kamer. Het was een beroerde plek, maar ik wilde er uitzieken dus ik bleef er: Al snel begon ik te malen, ik dreigde weer terug naar af te gaan. Laat in de ochtend waren we aangekomen. Die dag bleef ik er en de dag erna ook, tot ’s avonds, de beroerdste dagen van de reis. Rustig alleen, dat wel, eten deed ik niet, het was er benauwd warm overdag. Ik kon zelfs niet lezen; het moest wel erg zijn met me dat ik dat niet meer kon. Pradeep en Fred leken vreemden. Ik had met niemand meer iets te maken, ik was koortsig, vol warrigheid en sombere gedachten. Laat in de middag van de tweede dag kreeg ik het gevoel dat ik als ik er nu niet uit brak hier niet meer uit zou komen. Ik perste me omhoog, liep Domus Maria uit, zette me over angst voor de buitenwereld heen. Beneden op het veld waren tenten, veel rumoer, ik durfde er niet heen. Ik liep naar een café in de buurt; ik las wat, at wat en dronk thee, zonder ziek te worden. Ik besloot door te zetten: die avond vroeg ik Sharon of ze me mee wilde nemen de stad in.

Het werd een schimmige tocht. Eerst een bus naar het centrum, daarna doelloos zwalken, de meisjes wilden niet speciaal iets zien. We liepen door donkere verlaten stukken, Sharon was of druk met foto's of druk met Hadewych. Het duizelde me de hele tijd, ik moest veel leunen, of zitten, of gewoon liggen, waar ik ook maar was. Niemand zei er iet van, de meisjes leken het niet te zien. Mensen zagen we af en toe: een paar laag uitgesneden hoeren, een hippiestel in de hasjwalm, een groep punks die iets aan het kapot slaan waren, ik weet niet meer wat, the sound of breaking glass herinner ik me. Het was lekker weer, ik begon er plezier in te krijgen. Sharon was dol op de nissen van het Colosseum, de een nog donkerder en vuiler dan de andere, er waren wat katten daar. Er zijn die avond vruchtbare foto's gemaakt. In het begin dacht ik dat als ik out zou gaan alles afgelopen was, maar geleidelijk aan begon ik het breder te zien, ongegeneerd (bijkomen van) flippen zoals in mijn drie weken militaire dienst. Ik had een tinteling door mijn lichaam, plat op de grond liggen was heerlijk. Ik weet

 

120

 

niet meer hoe we thuis gekomen zijn.

De volgende dag was ik weer boven jan, en in snel tempo nam ik op wat ik gemist had. Wat het meest in het oog sprong was de kwestie van het eten in Domus Maria. Dat was zo slecht, dat moet je gezien hebben om het te geloven: 's ochtends de harde broodjes, dat ging nog, maar het middag- en avondeten… Ten eerste was het warm eten koud;  groenten, vlees, pasta of rijst kreeg je niet tegelijk, maar met 20 minuten ertussen. Je kreeg bijvoorbeeld eerst groenten, dan zat je te wachten tot de rest kwam; die kwam maar niet, dus at je je groenten maar en als je het op had kwam er nog rijst, koud. Het personeel, uitgebluste volksvrouwen, stak hun absolute minachting voor ons niet onder stoelen of banken. Met strakke gezichten reageerden ze helemaal niet op aansporingen van participants, ze kwamen met grote pannen langs en kwakten de prak van grote hoogte op de borden, zo beledigend mogelijk, je geloofde je ogen niet. De smaak was onbeschrijflijk, het leek een strafkamp. Daarbij hadden ze strikte orders van de leiding om geen alcohol te schenken en daar hielden ze zich strak aan.

Het was een strafkamp. De participants klaagden steen en been, maar alleen afzonderlijk, niet en masse; velen vroegen of er niet ergens anders gegeten kon worden, maar de leiding was onvermurwbaar. De Moonies leken er schik in te hebben: net goed voor die klote participants, een gerechte straf voor alle wandaden. Zelf deden ze altijd net alsof ze meeaten en gingen daarna ergens anders eten. Betsy zei dat dit eten niet slechter was dan van Amerikaanse mensa's, alsof dat een argument was. Het punt was dat velen vrijwel geen eigen geld meer hadden, die moesten wel hier eten. Het was een massale vernedering van de participants. Toen ik ophield met vasten zag ik dat iedereen er al in berustte, ontmoedigend op zich. Zelf wilde ik geen gunsten van de leiding vragen, die trouwens nu oppermachtig leek. Pradeep was woedend en vroeg me er iets aan te doen. Ik sprak er Randy over aan, maar het was een halfzachte poging. Hij kwam met een rij uitvluchten, ik maakte het hem niet moeilijk. Tot mijn verbazing hoorde ik later dat Pradeep het er niet bij had laten zitten. Na mijn halfslachtige poging ging hij zelf zijn beklag doen en eiste geld om elders te

 

Naar aflevering 25

 

Naar INHOUD