
126
that happen, was ik zo vol van dat moment, de lichtval, de donkere hoeken, de stilte, de klank van haar stem. Dat moment kleurde de hele avond en overschaduwde volledig het risico wat ik liep. Schijnbaar onbeduidende dingen kregen meer gewicht dan zware kwesties, emotionele ontladingen werden steeds onvoorspelbaarder, van jezelf of van anderen.
Met het paspoort had Sharon even een flip-moment. In dat soort dingen had ze normaal alles mee, en ineens dit... een heilzame shock. Hadewych leek er niet door aangedaan. Ik had een moment van verlies en dat zou de hele dag door blijven spelen, maar het gevoel was meteen losgekoppeld van het paspoort. De hele dag door had ik telkens momenten van (schijnbaar) onherstelbaar verlies, Sharon, Saskia, Grace, acid, Maharajji, alles vloeide in elkaar over, het deed pijn, het was intens, het leek alsof ik niks meer over zou houden, en toch bleef ik door lopen. Alles had een felle schoonheid, ik voelde me in hoge versnelling.
Kaci, had ik het gevoel, kon me niet echt de ernst van de situatie inprenten. Ik stond sowieso te ver van haar af. Ze zag er intens doorleefd uit. Achteraf zit ik te speculeren dat ze zich afvroeg of het het waard was om zoveel voor mij op het spel te zetten. Ik had niet echt contact met haar; als ze bij haar woord zou blijven, zou ze weg moeten gaan als de Moonies iemand van haar team weg zou sturen buiten haar om. Maar van haar organisatie had ze de heimelijke opdracht alle protestanten in de groep tegen elke Moonie-pressie te beschermen – dat wist ik later pas. Hoe dat ook zij, het leek toen dat ze op de rand van instorting had gestaan. Ze kon beter met Vogel praten. Samen breiden ze als het ware een grillig netwerk van absurditeiten over de reis – allebei great talkers, ononderbroken, nooit met de mond vol tanden – maar waarin ze zelf voor mij net zo absurd leken, haast een performance, zo vreemd dat ik me de woorden ook niet meer kan herinneren. Wel typisch Amerikaans. Ik kwam ertussen en zei dat hun woorden voor mij als Amerikaanse waanzin klonken. Kaci probeerde er iets ор te zeggen, hakkelde even en ging vervolgens gewoon met Vogel door. Wat ik zei was grof, maar ik klonk onzeker; zoals zo vaak wist ze niet wat ze ervan moest maken. Vogel had nooit iets met me te maken gehad,
127
nu ook niet, ze gingen dus door. Wat voor hen blijkbaar een normale dialoog was leek mij een ritueel om elkaar gerust te stellen en elkaars gedachtegang voor ernstige hapering te behoeden. Ze zagen zichzelf – en werden ook door anderen gezien – als normaal. Ik niet: bizar gedrag en haperingen in dagelijks functioneren hadden me al een reputatie bezorgd, ik zag het aan gezichten; een hoop lui dachten dat ik geschift was. Die dialoog was voor mij een teken hoe maf deze twee normale dames onder druk van de reis aan het worden waren. Ik liet ze alletwee achter.
Het was toen op het heetst van de dag: Kaci’s zorg bracht trouwens een eerdere discussie met Bob O Brien in perspectief. Bobs zorg was helemaal niet tot me door gedrongen; dat was de dag van Assisi. Bob bezwoer me om iets meer in de pas te lopen, want de woede van de leiding tegen mij liep naar het kookpunt. Wie iets anders dan het programma wilde doen, moest het eerst aan de leaders meedelen, anders uitgedrukt, de leaders moesten een aannemelijk verhaal kunnen ophangen als de Moonies vroegen waar die of die uithing. Het bleek dat mijn twee dagen ziekte als insubordinatie was uitgelegd. Ik had niemand iets gezegd, ik was gewoon ziek in bed gebleven, geen nurse gezien (ik hoefde geen roze peptobismal), dus in de ogen van de leiding was ik gewoon weg.
Bedenk dat het in Rome meer moeite kostte om het gedrag van de participants te overzien dan in Cairo. Cairo was te bedreigend voor de meesten om zich erin te verliezen, maar Rome was een ander verhaal: iedereen toog naar hartelust zelf op pad.
Bob bleek over mij met Mel Haft te hebben getwist. Haft had niets goeds voor me over, Bob had toen gezegd: praat dan met hem. Dat zei hij nu ook tegen mij. Ik zei: ‘Nooit is er iemand van hen naar mij toe gekomen, ik moet het altijd van anderen horen als er wat is. Ik had geen probleem met hen, ik hoefde niet met hen te praten; zij hadden een probleem met mij, ik moest niks van hen, zij moesten iets van mij'. Bob keek zorgelijk en vermoeid. Ik zei dat ik hem en Kaci wel wilde helpen om aannemelijke verhalen op te hangen: ik gaf ze toestemming ze ter plekke uit de duim te zuigen.
128
Bedenk dat tezelfdertijd Sharon & Hadewych geen strobreed in de weg werd gelegd.Hun groep was ook de grootste puinhoop (Ulrich zat er ook in), waarschijnlijk omdat ze geen krachtige teamleader meer hadden. Peter Beyer had dat moelen zijn, maar hij verdomde alles. Bob zei dat hij mijn afwezigheid krachtig had verdedigd: ‘Jesus, Mel, the man is fasting!’, met een ondertoon van ‘how can you say anything against that!
Toen bleek voor het eerst hoe Kaci en Bob mij verdedigden. Voor de Moonies was ik een pure opruier, sex, drugs on misdaad, terwijl Kaci mijn spirituele oprechtheid of hoe je het ook maar noemt naar voren schoof. Ik was verbaasd en zeer geamuseerd: van een ordinaire diarree werd een spirituele oefening gemaakt, hoe verzonnen zet. Het zou op den duur blijken dat ze succes kregen met deze verdedigingswijze. Talrijke participants waren niet of nauwelijks ‘spiritueel’; zowel christenen als Moonies schermen met dit woord. De leiding had zich daar bij neergelegd. Zolang zulke lui maar niet te lastig waren was het O.K. Ik zat vanzelfsprekend in die categorie. Kaci & Bob vochten dat aan; door dat te doen tastten ze het fundament van de Mooniekritiek op mij aan. In Italië zag ik dat trouwens nog niet zo scherp. Om even vooruit te lopen, het zou me inderdaad, door een samenloop van omstandigheden en ongewild, lukken om als ‘spiritueel’ door de leiding erkend te worden.
Mijn aandacht voor de kerk in Assisi was in mijn voordeel. Maar ongewild trapte ik ze ook tegen de schenen. De lezingen waren in Domus Maria, in een zaal met open ramen naar de gang. Ik was een keer door die gang langs gelopen tijdens een lezing, ik keek gewoon door de ruiten. Later bleek ik gezien te zijn, het leek alsof ik de leiding ermee openlijk uitdaagde. Toch wist ik nergens van.
In Rome ben ik maar naar één lezing geweest, om speciale redenen. Joe Bettis himself zou een lezing geven, over het protestantisme. Dat wilde ik weleens zien. De leaders zelf gaven normaal nooit lezingen, daar huurden ze anderen voor in. Bettis lezing was een restant van het oorspronkelijke reisplan. Dat zat zo: begin 82 kreeg Richardson het idee om een groep,
129
zeg een paar tientallen Amerikaanse studenten mee naar Europa te nemen en met bussen en desnoods tenten langs diverse oorden te gaan die met het geloof te maken hadden, met name plaatsen die een rol hadden gespeeld in de oorsprong van het protestantisme. Toen hij hiermee bij Rev. Moon kwam, zei die meteen om er een reis langs alle religies van te maken met honderden studenten van over de hele wereld. Ik hoor Richardson dit nog vertellen: allemaal een teken natuurlijk van Moons brede visie. Toen de reis rond was bleek echter van het protestantisme, waar het eerst om begonnen was, niets over. Van alle etappes waren er maar twee voor de westerse religies (Rome, Jeruzalem) en de rest voor de oosterse. Richardson voerde dat ook aan als teken van de ruimdenkendheid van de overwegend christelijke NEW ERA, die officieel de leiding had. Om het nog iets te compenseren, kregen we dus van Joe Bettis een lesje Luther en Calvijn.
Het overtrof alle verwachtingen. Toen Bettis binnenkwam zag ik het al. Zijn gezicht stond op onweer, hij keek onmiddellijk als een gebeten hond naar het publiek. We zaten in een arena; hij leek ervan uit te gaan dat het publiek tegen hem was, maar we zouden hem niet krijgen: onmiddellijk slingerde hij zich in een energieke monoloog, op zeer oorlogszuchtige toon. Het was ook niet stil In de zaal Ik zat naast Deloris, samen verzorgden we een lopend commentaar, het werkte op de lachspieren. We zaten hoog achterin, dus we konden de anderen ook goed overzien. Voor Bettis was het een verplicht nummer dat hij afdraaide, het was zinloos, maar het programma moest doorgaan. Dat zei hij wel niet letterlijk in zijn openingswoorden, maar de strekking was duidelijk voor de hele zaal (dat dacht ik tenminste). Na enige indirecte schimpscheuten naar het publiek begon de les zelf, op zich een duidelijk betoog, maar wel op middelbare school-niveau. Dat ging een poos zo door, tot Bettis onverwachts helemaal doorsloeg: van een lezing werd het ineens een preek tegen een honend publiek – hij moet mij en Deloris gehoord hebben. Via de persoonlijke relatie met God die de protestanten invoerden begon hij zeer agressief Gods liefde te verdedigen. Het was belachelijk, er werd gelachen. Ik weet niet waarom, maar Bettis richtte zich geïrriteerd tot één van
130
de toehoorders, Rodolfo. ‘Yes, Rodolfo, God loves you. You may not know it, but I tell you it's the truth. It's the absolute truth that God's loves you.’ Bettis zette Gods liefde op hetzelfde niveau als wetenschappelijke waarheid, ook dat nog, en dan de toon waarop hij dat zei; het was een absurde vertoning. Deloris en ik hadden dubbel plezier, de zaal was onrustig; Kaci was er ook, maar ze zei niets. Ik dacht meteen dat ik dat zou gaan gebruiken als iemand me nog voor de voeten gooide dat ik de lezingen niet bijwoonde; dit was het absolute dieptepunt.
Hierna breide Bettis er maar snel een eind aan. Na een paar lusteloze vragen stond Kaci op en zei dat de huidige Amerikaanse protestantse kerken niet meer vast hielden aan de predestinatieleer. Niemand ging er op in. Later besefte ik dat er toch mensen waren die dit soort onzin voor zoete koek slikten. Deloris had Sunny de nurse als roommate en die begon naar het kamp van de leiding over te hellen. Tegen de Deloris had ze mijn gooi- en smijtwerk op de afscheidsavond in Cairo veroordeeld. Ik had me misdragen omdat ik het niet kon hebben dat ik op de general meetings niet mijn zin had gekregen. De lezing van Bettis vond ze O.K.: ‘It sounded all right, that’s the way I've been taught’, zei ze tot Deloris' stomme verbazing. Het beviel haar niks om er een van het andere kamp als roommate te hebben.
Wat Rodolfo betreft: dat ze hem juist weer moesten hebben. Hij zag er meestal in zich zelf gekeerd en ongelukkig uit, maar hij hield zich groot. Hij was Debbie (de blonde) aan Majid kwijtgeraakt, hij scheen er onder te lijden. Debbie leek me vals en manziek.
Die middag ging ik mee met Ulrich. We zouden eerst met een grotere groep naar de kerk van ‘Petrus en Paulus buiten de muren’ gaan en daarna naar een klooster met een kleinere groep. Daar was een nonnenorde waar zijn vriendin over dacht om zich erbij aan te sluiten. Hij had het zelf geregeld en de Moonies gaven een vette subsidie. Dat was een nieuw voordeel dat sinds Egypte was ingevoerd: het programma was flexibeler en bood ruimte aan individuele initiatieven van participants. Als de leiding er een spirituele merite in zag kreeg je zó geld los.
131
‘Petrus en Paulus buiten de muren’: een mooie plek, grote klassieke zuilen, een binnenplaats, een museum, trappen, een sterk gevoel van leegte en verlies. Zowaar had ik zelfs een gesprek met Patries. Nu ik erbij stilsta, zie ik dat een hoop participants haar ook raar vonden, omdat ze haar niet konden plaatsen, haar rare peervormige hoofd, de babylach, de naar beneden krullende onderlip. Ze zag er ruwweg Aziatisch uit, maar van waar? Holland? Hoe kon dat nou? Indonesisch, daar kwamen ze niet op, dat moest ik ze vertellen. Patries was weer in een praatgrage bui. Het gesprek ging over de ‘geestenwereld’. Als ze dat woord zegt kijkt ze veelbetekenend, de stem iets ingehouden. Zoals al eerder gezegd, de Moonies bekeren niet alleen de levenden maar ook de doden, of liever omgekeerd, ze bekeren de voorouders en met hulp van hun onzichtbare macht bekeren ze de levenden. Patries zelf had een diep contact met haar eigen voorouders. Ze praatte een eind weg over hoeveel verdoolden er in het dodenrijk zijn en dat we hen allen moesten helpen. Ik liet het over me heen kabbelen, maar opeens spitste ik de oren: ‘De geest van Hitler heeft het zo moeilijk. Er zijn zoveel geesten, die zoveel meegemaakt hebben en die hem niet kunnen vergeven. Ze zijn allemaal tegen hem. Maar wij helpen hem’. De Moonies zijn dus aan het knoeien met de geest van Hitler; die willen ze er graag bij hebben. Patries babbelde er nog even over door. Wetende dat de Moonies en masse knoeien met spiritisme, kreeg ik het onbehaaglijke gevoel dat de Moonies nog wel eens erger zouden kunnen zijn dan ik dacht. Ik liep weg en stuitte in de fraaie tuin op Michael. Ik vertelde hem van Patries, hij luisterde aandachtig, lichte grijns. Hij vertelde iets in dezelfde sfeer: in Assisi in de kerk hadden de Moonies tot ontzetting van sommige anderen ineens een soort gehuil aangeheven, met veel tranen. Het klonk als een barbaars ritueel. Michael suggereerde dat onder het mom van een emotionele ontlading de Moonies een soort spell werpen over een bepaalde plek. Mel Haft zelf was hierbij betrokken. De Moonies hadden een voorkeur voor christelijke plaatsen. Franciscus zagen ze als een voorloper, hiermee werd hij als het ware onzichtbaar binnen het Mooniekamp gesleept. Hij zei dat hij er vlakbij had gestaan. Grijnzend zei hij dat hij daarna onmiddellijk een tegenbezwering had uitgesproken. Dat kon hij rustig zeggen, niemand zou denken dat hij dat echt meende. Die twee dingen achter elkaar maakten een voorgevoel los. Gezien de Moonieobsessie
132
met magie en spiritisme die me vóór de reis al duidelijk was leek het onwaarschijnlijk dat de Moonies het niet zouden proberen op participants, en dat zonder dat er een haan naar zou kraaien. Laat ik de paranoia maar tot het eind toe uitspelen: terwijl zij naar buiten toe poseren als liberaal en tolerant en heel redelijk knoeien ze in het geniep met methodes om onaanwijsbaar aan iemands mind te sleutelen. Ze werpen een onzichtbaar net zonder dat het slachtoffer er de vinger op kan leggen; hij voelt zich onbehaaglijk maar weet niet wat het is. Andere sektes volstaan met personal power. Daarin hebben ze vaak zó’n overwicht – al was het alleen maar omdat ze hun energie op één punt concentreren – dat ze iemand zó van zijn stuk brengen. Moonies gaan een stap verder: mindwarp, zonder zelfs maar iemand te bepraten kunnen ze met slechts minimaal contact als springplank onmerkbaar een dwangbevel bij iemand inplanten. Ze zouden bij mij bijvoorbeeld een compulsie kunnen inplanten om niet/nooit over deze reis te schrijven.
Enfin, zolang niet anders bleek prefereerden Michael en ik het om het als geknoei te zien. Michael praatte in tegenstelling tot mij wel veel met hen, bijvoorbeeld in lang uitgesponnen ideologische discussies over Midden-Amerika – Michael natuurlijk aan de kant van de ‘bevrijdingstheologie’, de Moonies rechts van Reagan. We namen de stand van zaken door, zoals we in Barrytown plachten te doen. Michael leek nog steeds zelfverzekerd maar ook ingehouden; er waren meer ongewisse factoren dan hem lief was. Dat gold voor de Moonies trouwens ook. Ik was ervan overtuigd dat ze het niet in de hand hadden, daarom kon de paranoia geen vat op me krijgen.
Aan het eind van de middag ging een klein groepje met Ulrich mee, Michael, Hadewych en misschien nog een paar, met lokale bussen, een eind buiten de stad. Ik had het idee dat we er meer met geluk dan wijsheid kwamen. Het was alsof je heel ergens anders kwam. Het klooster was een groep houten gebouwtjes, haast Japans, heel mooi gedaan. Overal waren eucalyptusbomen, speciaal geplant tegen de ongezonde moeraslucht die daar vroeger was. Hele ranke boompjes, licht, lichtgroene bladeren. De nonnen waren lichtgrijs gekleed, kapjes op stuk voor stuk sprekende koppen, helder, sterk, tijdloos, tot mijn verbazing was ik onmiddellijk diep onder de indruk. Eerst werd er gezongen in zo'n gebouwtje, leeg, dus
133
de tonen ketsten overal, hoge ijle stemmen. Michael zong mee, mij was het iets te braaf. Daarna hebben we een poos buiten gezeten, met een paar nonnen, terwijl het donker werd. In het Engels heten ze The Little Sisters of Jesus, ik had er nog nooit van gehoord. Één vrouw dee voornamelijknl. het woord, en ze verraste me meteen: hun orde stamt van Foucault, ik wist niets van hem behalve dat ik een postzegel met zijn beeltenis heb. Het was een van de eerste postzegels die ik had, met daarop een monnik met baard en snor tegen een Noord-Afrikaanse achtergrond (woestijn, zandkleurige stadmuur, kameel). Foucault was een Fransman uit de19e eeuw, aanvankelijk ongelovig, die via fascinatie voor de devotie van de moslims terugkeerde naar de christelijke devotie; maar hij behield een zwak voor de Islam. Hij stichtte een orde, die midden in de derde wereld ging staan, met uitsluitend bekering door het voorbeeld van eigen devotie. Er kwam snel een vrouwelijke tak, dat waren deze vrouwen. Ik had nog nooit zoiets gezien, überhaupt nooit zulke sterke mensen gezien, ik had geen idee dat er nog zulke katholieken waren. Al die vrouwen hadden jaren in de derde wereld gewerkt, de vrouw die het woord deed jaren in Benares, en ze gingen er ook naar terug. Van de paus en de kardinalen trekken ze zich niet veel aan; daar waren ze open over, zonder zich druk te maken. Niemand had iets te zeggen over hun orde, zij bemoeiden zich niet met kerkpolitiek. Ze gaven ons wat te eten en te drinken. Er werd iets gezegd over de Moonies, waar ze niet op ingingen. Ik wilde het er ook helemaal niet over hebben. Het gevoel van verlies kwam als een orkaan over me heen; toch bleef alles stil, momenten van volkomen rust, en momenten dat het elk moment kan gaan tollen (tranen, schreeuwen), evengoed niets vergeleken bij wat zij hadden gezien. Er was een jonge Duitse bij – ze kwamen overal vandaan, de woordvoerster was een Française die rap Engels sprak, van wie ik het gevoel had dat ze naar me omkeek. Als die vrouwen naar je keken, keken ze ook zonder schroom, ze zagen er soepel en gespierd uit. De jonge Duitse zou tien dellen van dezelfde leeftijd zo wegvegen. Ze waren vrij klein van stuk. Wij allemaal waren diep onder de indruk, ik wilde eigenlijk helemaal niet. weg. Toen het bijna donker was was de tijd op, het suisde me, alsof je door onzichtbare wanden heen moet, als je eigen stem vervormd,naar ergens ver weg binnen [LvdH: geen zin om de zin af te maken]
134
O ja, wat de Moonies betreft, ik vond dat we hun niet met ons verhaal moesten opschepen. Toen we weggingen, kregen we allemaal hun hand, letterlijk: allemaal hadden ze er kracht in, de Duitse hield de mijne iets langer vast en keek naar me. Terug in de buitenwereld, een draai de heuvel af, tussen de bomen uit, de straat langs, leek iedereen een beetje gedesoriënteerd, we wisten niet goed hoe we terug moesten komen. De bussen waren heerlijk, vooral de tweede. Het was helemaal donker, ineens voelde ik me door het dolle heen, er was iets geknapt, al het zware voelde ik niet meer, ik moest lachen om niets, de herinnering eraan is ook chaos: tegen elkaar aan duwen, bijna in verkeerde bussen stappen, Ulrichs laconieke gezicht. Al waren we naar de hel gereden dan zou hij nog gelachen hebben, al was het alleen al om onze stommiteit; wapperende kleren, klapperende ramen, geïnspireerd scheurende buschauffeurs, lachsalvo's op het busstation, in één woord opgelucht en geld zat over, dankzij de Mooniesubsidie, om pizza's te eten. De tent was op het kruispunt, niet ver van Domus Maria. Er zat al een heel gezelschap reisgenoten, met onder anderen Patries (of was die met ons mee? ik ben er niet zeker van). Het was een uitgelaten bedoening, voor iedereen zo te zien. Lekker groezelig tafellaken, sommige pizza's waren aangebrand, ik liet de mijne terugsturen. Opeens had ik Patries' dagboek te pakken; ze reageerde onmiddellijk, ze graaide mis, vroeg het terug, smeekte het terug (ze wist niet zeker of ik het meende, ik lachte alleen maar), ze graaide opnieuw en toen pakte ze me vast, koste wat kost moest ze het terug hebben. Ik liet haar een eind komen, maar net niet ver genoeg. Omstrengeld gleden we van de stoel af, op de grond rollebollend, onder de takel, tussen de stoelen, ze had elk gevoel voor decorum overboord gezet. Niemand van buiten greep in; ik heb me leeg gelachen, toen gaf ik het terug, ze was niet boos. Jammer dat de Mooniefilmploeg dit niet heeft vastgelegd.
's Avonds laat zag ik Sharon terug; ze had een nieuw paspoort. Ze vond het doodjammer dat ze The Little Sisters gemist had. James Flynn, de amechtige Moonie had haar naar de stad gebracht en geholpen. Hij was heel aardig tegen haar. ‘He really hates you’, zei ze. Flynn leek me niet een van de agressiefste en ik had nooit zelfs maar een blik met hem gewisseld, ik voelde me vereerd.
135
Op de ambassade zat een wachtkamer vol volk met gestolen paspoorten. Het is lopende band werk, je krijgt onmiddellijk een nieuw paspoort. Ze was met Flynn een eind door de stad gelopen, langs reisburo's, om prijzen te checken. Het bleek dat de Moonies op slechte voet stonden met de couriers, die volgens hen veel te veel betaalden voor tickets. Zoals eerder gezegd smeten de Moonies nu minder met geld. In New York hadden ze ernstige financiële tegenslag gehad, dus ze moesten er nu op gaan letten. Michael vertelde dat hij de voltallige Moonies had betrapt bij een intiem diner in een restaurant, waar Joe Bettis als enige teamleader bij was. Michael bracht dat in verband met de samenzwering om enkele belhamels weg te werken. Lothar keek trouwens schielijk weg als ik in de buurt kwam; ik had het idee dat hij me verweet dat ik zijn naam had genoemd. Achteraf gek, maar ik ben er nooit meer op terug gekomen, en hij ook niet.
Maniatis bleef de hele tijd op olympische hoogte, ver weg van het gewoel. Zonder dat de meesten het wisten was er nog iemand overgevlogen. Ik heb hem helemaal niet gezien, ik heb alles van Marcella. Die was bevriend met Ella, een plompe negerin uit Trinidad, ergens in de 30, junior leader, ze had het aan de stok met de leiding. Ze keek vaak een beetje verdrietig. Marcella vertelde dat Richardson haar man naar Rome had gestuurd om de ruzies in de leiding te beslechten; die man had blijkbaar iets met ERA te maken. Eenmaal in Rome, toen zijn vrouw hem vertelde hoe het werkelijk op reis toe ging, was ruzies bijleggen helemaal niet relevant meer. Marcella zei dat hij alles na enkele dagen observatie somber inzag. Vooral een ding trof me: hij schatte de kans die de participants tegen
de leiding hadden heel laag in; de leiding zou ons er uiteindelijk onder krijgen. Ik vroeg me af wat hij wist dat ik niet wist. Ik zag de nog verse affaire van het wegstuur-gerucht als een nederlaag voor de leiding. Ik ging ervanuit dat als de druk van de leiding een bepaalde grens zou overschrijden het betere deel van de participants net zo lang dwars zou gaan liggen tot de druk van de ketel af was. Overigens was dit een teken dat Richardson zich er op afstand nog steeds mee bemoeide, hoewel Maniatis me nu belangrijker leek. Alweer dankzij Marcella hoorde ik hoe Maniatis de zaak zag.
naar Aflevering 27
naar INHOUD