
136
Ik hoorde het pas in India. Ze vertelde dat Sange even junior leader was gemaakt en bij een vergadering had gezeten waarin Maniatis had gezegd dat de leiding wel mocht dreigen met wegsturen maar het niet echt mocht doen. En dat kwam overeen met wat de leiding op de general meeting zei. Ik was er niet bij, hoorde het later. Ik wist niet eens dat er een meeting was. Daar werd gezegd dat ‘het gerucht’ volstrekt onwaar was en dat niemand tegen zijn zin uit de reis zou worden gehaald. Om dat te ondersteunen lieten ze Bruce Tate opdraven, die verzekerde dat hij uit vrije wil terugging. Toen ik het achteraf hoorde dacht ik ‘shit, die heeft zich op de valreep nog een keer laten fucken, terwijl hij juist wegging omdat hij de leugens en het gekonkel van de leiding spuugzat was’. Hij had dit niet moeten doen. Of hij had z'n bek helemaal moeten houden – kon het hem wat schelen als de leiding later last had van kwade tongen die beweerden dat hij onvrijwillig terug was gegaan – of hij had op die general meeting moeten zeggen wat hij werkelijk dacht. In plaats daarvan kwam er een slap verhaal over familieomstandigheden en vrije wil etcetera. Misschien maar goed dat ik die vertoning niet heb meegemaakt.
Intussen voerde Sharon haar eerste en enige subversieve actie uit. Haar houding tegenover de leiding was altijd consequent ontwijken en regeren. Niemand viel haar aan, dus ze kon dat onbeperkt volhouden. Maar tot mijn verrassing haalde ze een klein geintje uit. Er was in de gang van Domus Maria een prikbord; ik ging er altijd aan voorbij, anderen niet. Tussen officiële mededelingen van de leiding en persoonlijke verzoeken van participants prikte ze ‘s avonds laat een briefje: ‘Meeting for homosexual participants, 01.00, room 306’, het kamernummer van Mel Haft himself. 's Ochtends was het briefje steevast verdwenen. Sharon herhaalde het nog twee keer. Hiermee raakte ze dubbel: zoals voor de meeste Amerikaanse christenen is voor de Moonies homoseksualiteit een ziekte. Homo's zijn geen volwaardige mensen. Maar Mel Haft had onmiskenbaar zeer nichterige trekken, wat zeg ik, hij was er een, maar omdat hij nu getrouwd was
137
in Madison Square Garden en dus heilig was en in theorie ook niet meer vatbaar voor zulke aberraties, moest hij het dubbel zo hard in zichzelf wegdrukken. Je zou al zijn venijn, frustratie en agressie kunnen terugvoeren op zijn verdrongen homoseksualiteit – maar misschien is dat te simpel geredeneerd. Het was bekend dat de Moonies ervoor zorgden dat een paar van hen 's ochtends als eersten op waren. Sharon en ik gingen er van uit dat de Moonies het er af haalden; ze deed geen moeite haar handschrift te verbergen, dus dat moet met niet al te veel moeite traceerbaar geweest zijn. In elk geval is er nooit op gereageerd. Ik zag er een teken te meer in dat de Moonies Sharon koste wat kost ontzagen.
De Moonies deden haar zelfs de eer aan mee te komen naar de audiëntie met de paus, ze deden er nogal dik over. Eerst hadden ze gehoopt dat de paus hen apart zou ontvangen. Dat ging niet door, het Vaticaan is niet verrukt van de Moonies. Ze moesten genoegen nemen met een plaats in een stampvolle zaal. Meer dan een massa-audiëntie voor het volk zat er niet in, dus de dikdoenerij was een beetje belachelijk. David Alexander, onze hoftekenaar, had een grote mandala getekend, in vakken verdeeld met daarin de symbolen van de wereldreligies, inclusief het Moonie-symbool een stralende zon, die uit een vierkant lijkt te breken. Let op: de leiding was er handig in om op vanzelfsprekende wijze de Moonies als een ‘wereldgodsdienst’ te presenteren. Onwetende hindoes konden daar nog wel intrappen. In alles trok dit door. Van Alexander heb ik trouwens nooit tekeningen gezien, hij bleef consequent low profile, zijn vrouw Aruna trad veel meer op de voorgrond.
De leiding had participants van alle godsdiensten geselecteerd; Sharon mocht de joden vertegenwoordigen. Ik vond dat ze mij wel mee konden nemen, ik was tenslotte rooms-katholiek. Kalupahana ging erover, ik sprak hem dus aan, waarop hij met een verrassende wending kwam: hij ging helemaal aan de vraag voorbij of ik al of niet meeging. Hij zei dat wat hem betrof ik zijn plaats wel mocht innemen, maar de Moonies hadden er op aangedrongen dat juist hij ging met vrouw en kind, omdat zij het enige gezin van het reisgezelschap waren. De Moonies
130
hechtten daar grote waarde aan. Kalupahana zei het met wat meer omhaal dan ik het nu opschrijf, ik kwam er niet tussen. Wat hij zei gaf me zoveel te denken, dat mijn doel onbelangrijk werd. Bovendien vond ik het absurd om me op te gaan winden om een paus te zien. Ik herinner me dat ik in de lach was geschoten toen Jan Donkers het op de radio na de moordaanslag en passant had gehad over ‘die betreurenswaardige misser in Rome’. Terug naar Kalupahana’s woorden. Hij zei direct dat de Moonies zelf de selectie hadden bepaald of sterk beïnvloed. Zelf gaf hij geen bal om de paus, misschien had hij zelf niet eens gewild maar ging hij onder druk van de Moonies. Hij sprak erover op een toon alsof hij het de Moonies niet kon weigeren, ik vond het absurd.
Sharon was er inderdaad door vereerd; ze verwachtte er iets van. Het werd natuurlijk een zielloze vertoning; ze had zich verveeld, maar bovenal voelde ze zich beet genomen, alsof ze er ingeluisd was. De Moonies zelf vertelden het natuurlijk anders: de paus was vlak langs hen gereden en had veelbetekenend naar hen gekeken, kortom ze waren verrukt, typische sekte-larie, wishful thinking.
Tegelijk werden de Moonies verrast door nog een gezin: opeens was Christians ex-vrouw er met hun kind, allemaal prachtig natuurlijk, maar wat moesten ze met een ex. In plaats van dat hij de schijn ophield, zoals Richardson met zijn vrouw bijvoorbeeld, had hij het steevast over zijn ex-vrouw en vroeg hij tegelijk of hij een aparte kamer in Domus Maria kon krijgen. De leiding was er verlegen mee maar stond het hem toe, moeilijk doen zou er alleen maar meer aandacht op vestigen. Het tweetal leek erg aardig voor elkaar. Ze was een donkere vrouw, dik zwart haar, natuurlijke slag erin, zonder make-up, ergens in de 30, rijp, volwassen, ik vond haar mooi. Ze hadden een dochtertje. Ik heb er een keer erg mee gelachen. Sharon wist nog van niets. In de hal bij een van de canapés zat Christian vette zoenen op de wang van de kleuter te geven, het was allemaal heel lijfelijk. Ik zag Sharon grote ogen opzetten, ik keek haar aan. Ik wist dat ze Christian een viezerik vond. Hij had een keer een hand op haar linie gelegd, in de bus, natuurlijk
139
onvergeeflijk. Sharon keek naar me, ik zei: ‘je moet niet raar staan kijken, die Christian is dol op heel kleine meisjes, het is een pedofiel’. Ik zag haar vollopen met walging en afgrijzen, ik schoot in de lach, Christian keek op, grijnsde, hij zag in een flits wat Sharon dacht, hij bleef grijnzen en zei ‘dit is mijn dochtertje’. Sharon kon niets terug doen, ze moest Christian weer ietsje meer accepteren. Dat is een langlopende strijd tussen ons geweest. Als Sharon mensen absoluut veroordeelde, en daar was ze vlug mee, wilde ik er nog wel eens tegen in gaan. Maar wie ik het meest verdedigde was Christian; voetje voor voetje drong ik haar afkeer terug. De episode van de klapzoenen was evident een teken dat haar vooropgezette mening niet betrouwbaar was. Op zich leek het geen belangrijk incident, maar het zou uiteindelijk tot de last tango in Korea leiden, maar dat moet nog wachten.
De laatste volle dag werd besteed aan een grote tour, vaak kon je kiezen uit verschillende kleine tours, nu moest de hele club mee, je moest; Steven lapte het aan zijne laars. We gingen drie dingen zien: de Sixtijnse kapel, de Subiaco (de kluis van Benedictus) en Tivoli (de lusthof). De Sixtijnse kapel, zei men, zou een paar jaar dicht gaan wegens reparaties, dus reden te meer er heen te gaan. Tivoli, zei men, was een enorm park, Subiaco lag in de bergen. Ik ben meegegaan, Sharon en Hadewych ook. Het was winderig. Mel Haft stond donker broedend met een cape om. Met een grote roltrap daalden we het Vaticaans museum in, ik was er eerder uitgebreid geweest (1972). Na een reeks vol tierelantijnen en beeldjes, ineens de Sixtijnse kapel. Hoeveel mensen er ook in zijn, ze lijken klein.
Ik kon er nu rustiger naar kijken dan de eerste keer, het was minder druk; ik bleef zitten op één plek, Deloris naast me. Ze was zichtbaar onder de indruk. Voor zover ik het wist wees ik aan wie wie was, verder liet ik het overweldigende gewoon over me heen komen.
Terug in de bus begon ik spijt te krijgen dat ik was mee gegaan, ik begon wazig en onrustig te worden, gedachten haperden, alle indrukken leken hakkerig en met lacunes, ik voelde me gemangeld. Af en toe zag ik Geraldine zitten, het enige geruststellende. Ik had het nu al een paar keer gehad en wist dat het over ging, maar elke keer is het weer zo benauwd, dat het lijkt alsof je er nooit meer uitkomt.
140
Subiaco lag hoog, de lucht deed me goed. Ik perste de ademhaling in het juiste ritme. De kluis lag op een steile rand, je kon er niet wandelen en de mensen verdrongen zich om wat te zien, daar had ik geen zin in, dus ik heb niets gezien. Daardoor miste ik de performance van de Moonies. Ze hechten speciale waarde aan Subiaco en Benedictus. Net als Franciscus is hij een voorloper, en net als in Assisi hieven ze weer een gehuil aan, dit keer met veel meer participants in de buurt, die het gênant vonden, ze werden er nerveus van. Net als in Assisi zat Michael er weer bovenop om de Moonie bezweringen weer uit te wissen.
Ik liep naar opzij, naar een gesloten poort, ik liep er een paar keer naar terug, zag Sharon nergens, ik hard een onbestemd gevoel over haar. We kregen lunchpakketten, ik zat met Deloris op een muur vanwaar je diep naar beneden kon kijken. Langs het pad knielden twee moslims met het gezicht naar Mekka, met onverstoorbare devotie: Tarik (of was het Abdul?) en een vette pafferige Bangladeshi, waar ik verder nooit iets mee te maken heb gehad. Deloris klaagde over Sunny; op de muur wachtten we af tot iedereen klaar was. Ik ben nog een poos bij de poort blijven zitten, iets meer naar beneden. Je kon er lekker zitten met het groen om je heen. Christian en Abdul zaten naast Amornruch, chatting her up, en omdat dat niet succesvol was, gingen ze in het Frans over haar praten waar ze bij zat. Abduls timbre kwam er fraai uit in het Frans, alle woorden leken er lachend uit te komen.
Terug in de bus werd het snel weer wazig. Tivoli viel me tegen op het eerste gezicht. Het ging om een paleis met tuinen van een Renaissance-familie, ik geloof d'Este. Het huis ging ik snel door, en dan ligt iets beneden je het park, kleiner dan ik gedacht had. Het huis had iet sjofels (afgebladderde, vervaalde muren), de tuin was vol mensen; we waren niet de enige toeristen. Ik voelde me vreemd tegenover iedereen, doelloos, ik liep maar wat. Het was ommuurd, aan één kant kon je naar de gribus beneden kijken. Robert Cooper zat op die muur, een forse Amerikaanse bebrilde neger, snorretje. Hij was me in Barrytown opgevallen, hij speelde graag volleybal maar kon er niets van. Hij zag er ook verward uit, broedend. Ik wist nooit wat ik van hem moest denken, ik vertrouwde hem niet. Hij was voor een of andere christelijke organisatie
141
een keer naar Azië geweest voor een tijd: India, China, Japan, hij kende een beetje Japans. Verder op zat Peter Beyer, met absolute verveling op zijn gezicht. Iemand zei van hem dat niets hem meer interesseerde, hij ging alleen nog maar mee omdat hij Nepal en Japan wilde zien. Aan de andere kant van het park was een kunstmatige waterval, waar je achter door kon, de favoriete plek van de reisgenoten, talloze kiekjes zijn daar gemaakt. Het geklater trok me aan, als een aangenaam geluidsbad, iedereen leek vrolijk daar. Ik zag Laxman in goeden doen, ik liep ook achter langs. Daarna werd het waas minder. Ik zag meer van het park, dat toch wel mooi was, en daarna ben ik door het huis gaan zwalken. Er hingen portretten aan de muur, af en toe stonden er stoelen. Op een gegeven moment liep ik dood in een donkere tussenkamer. Het was verwarrend aangenaam, jonge Italianen hoorde je giechelen in een andere gang, ik had wel willen verdwalen, maar het lukte me niet. Buiten aan de andere kant was een rommelig plein, ontsierd door rijen touringcars.
Ik heb het al een heer gezegd, in de bussen zei ik meestal niets en ik bemoeide me met niemand. Je moest per team de bus in, je zag altijd dezelfde mensen tenzij het speciale optional trips waren, zoals naar Wadi Qelt (eeuwen geleden). Alleen met Geraldine praatte ik af en toe. We kwamen om etenstijd terug. Het leek alsof het personeel extra zijn best had gedaan het eten zo beroerd mogelijk te maken. Nu was ik al een keer eerder begonnen met gooien in Domus Maria, voornamelijk sinaasappels. Er waren meestal twee groepen/tafels met vegetariërs, Hindoes en niet-Hindoes. Ik smeet wel eens wat naar de Hindoes, die lachten en zelfs terug smeten, één sinaasappel ging rakelings langs Mel Haft. Deze keer waren de bediening en het eten zelf zó belachelijk, dat het op menigeens lachspieren werkte. De vrouwen die opschepten keken altijd over je heen, het haar strak, pinnige gezichten, verzuurd tot karikaturen. We kregen een soort witte homp, niemand wist wat het überhaupt moest voorstellen: misschien hadden ze nog in de oven gemoeten en wilde het personeel ons dit als laatste belediging in de maag splitsen. Het leende zich prima om te gooien, ik bedacht om ze uit het raam te gooien op de binnenplaats. Bij wie aarzelde pakte ik zelf de homp van het bord en hop het open raam door, met de stille wens dat het personeel de hals erover zou breken. Het was zelfs spannend: ik zag mensen kijken of de leiding niet zou ingrijpen, wat niet gebeurde.
142
Het afscheidsfeest was buiten, zacht weer. Dit keer waren er geen dansende rabbi's of buikdanseressen ingehuurd maar was een enorme hoeveelheid meloenen en ijs gekocht. Pradeep en Fred hielpen mee de overdaad te snijden en uit te stallen. We zouden de stad in gaan, maar de meloenen namen we nog even mee. Maniatis hield een toespraakje, hij zei dat Reverend Moon precies op de hoogte was van onze reis, ook van de moeilijkheden, ‘but he wasn't surprised. He said in fact he had expected it’. Lachje ertussen, gevolgd door een brij van geruststellende taal, voor Maniatis was alles onder controle, nu zou het allemaal wel beter gaan. Daarna trad Gerry Edwards op. Hij was me als eerder opgevallen, een typische goedmoedige langharige Amerikaan, met baard, een flinke stem en een gitaar. Hij was van de Syracuse-groep, hij zei dat hij nooit reisde, het was eigenlijk niks voor hem; hij leek vaak een beetje verbijsterd door alles. Omdat deze reis was voorgeprogrammeerd had hij zich laten overhalen. Het was zijn enige kans om ooit iets van de wereld te zien. Ik had ook het idee dat hij geen benul had van de wereld buiten zijn eigen groepje. In de bus kon hij op elk moment een lied inzetten, ik vond het meestal leuk. Hij zat evident in de traditie van 70-er jaren longhair country, Willy Nelson, Waylon Jennings, Jerry Jeff Walker. Hoewel het nu ver van me af stond had ik er een zwak voor. Gerry kwam met een pakkende meezinger – bekend wijsje, maar je weet niet wat: dat zijn de meest effectieve – getiteld Youth Seminar Blues, met enige schimpscheuten naar Barrytown, schijterij en het eten in Domus Maria. Het was een onmiddellijke hit; alleen jammer dat Linda Milavec met haar hoge jankstem zo nodig moest meezingen. Gerry zelf had een goede stem, het publiek zong de refreinen mee. Het lied werd meteen deel van de legende van de reis. Gerry's plezier werd wel vergald trouwens, want dezelfde avond werd zijn camera gejat, een dure, het was bitter voor hem, dat zag Je, maar hij droeg het moedig. Besef dat hij nu voor de eerste en enige keer iets van de wereld zag, en wat heb je daar als Amerikaan aan als je er geen foto's van kan laten zien aan the folks back home? Er liep een dief rond daar, een ranke mooie Italiaan met een donkere bril.
Na Gerry braden de Koreanen op: ze gingen vlak op elkaar staan in twee rijen en keken intens braaf en schaapachtig. Het was een hoog en slijmerig lied, er werd beleefd geklapt. Wij smeerden hem, Sharon, Hadewych, Steven en ik. Bij de uitgang
143
zagen we Eric Salter, de boeddhist, met een bos bloemen in een taxi stappen. Hij keek betrapt maar vriendelijk naar Sharon. Nu we het over hem hebben: ik heb zijn aandeel in de souvenirjacht al genoemd. Wat ook opviel bij hem was dat hij op uitzonderlijk goede voet met de Moonies stond, alsof ze dikke vrienden waren. Vooral omdat Reverend Moon en Guru Rinpoche leerstellig water en vuur zijn en ook de mentaliteit van hun aanhang mijlenver uit elkaar ligt. Het enige wat ik kan bedenken aan gemeenschappelijks is dat ze allebei politiek reactionair zijn. Of er een link was tussen Boulder en Barrytown? Geen idee.
We namen de bus naar de stad, eindpunt op een stil leeg plein. Zoals gewoonlijk liepen we doelloos; het eerst kwamen we bij de Trevifontein, waar reizigers met de rug naar de fontein toe met een boog over hun schouder een munt erin gooien. Je zag het aan de lopende band, de bodem was er mee bezaaid. Het was er prachtig, de fontein zelf super-overdadig barok, het krioelde van de mensen. Alles begon te flikkeren voor me, de herinnering eraan is onmogelijk te ordenen, alle geluiden hadden een. speciale echo, zoals met acid, de voetstappen, het geklingel van de glazen op de terrassen, de munten die in het water vielen. En dan al die normale mensen, die een au fond bizar achterstevoren-ritueel uitvoerden. Opeens was Sharon door het dolle heen, opgewonden: ‘I threw a coin and it disappeared in the air. It didn't fall in the water, everybody I was looking at me’. Ze was bloedserieus, ze vatte het op als een speciaal teken. Ik geloofde haar ook nog, er hing daar iets. Alle drie gooiden we munten. Ik wist niet zeker meer of ik de boog van Sharons munt nou gezien had of niet. Vanaf het punt waar ik stond kon het helemaal niet, toch had ik er een beeld van. Ik zat te zoeken naar een herinnering die vlakbij lag, ik kon het niet vinden.
Sharon zag zichzelf als uitverkoren, dat was vanzelfsprekend. Hoe meer ze in de loop van de tijd vertelde, hoe sterker ik het beeld kreeg dat ze iets heel aparts had. Ze had een onwrikbare wil om af te rekenen met waar ze vandaan kwam. Ze had er tien jaar over gedaan om over haar moeder heen te komen, maar ze worstelde met haar vader, door wie ze ook in deze trip terecht was gekomen. Ze had jarenlang bij een psychiater (vrouw) gelopen om met haar moeder af te rekenen. Ze lag de hele week op bed en ging alleen de deur uit voor de psychiater, twee jaar lang, verder ging ze met niemand om. Haar moeder was
144
hertrouwd met een jeugdvriend, destijds de concurrent van haar vader, weer een schoolvoorbeeld van Girard's désir triangulaire. Het was een vette miljonair, Sharon haatte hem – niet vanwege haar moeder, denk ik, maar vanwege haar vader. Ze heeft een keer in zijn huis ingebroken en er een aantal kostbare items stukgeslagen. De man was ziedend, wist dat Sharon het gedaan had, maar kon het niet bewijzen. Haar relatie met haar moeder beperkte zich nu tot de gewoonte van haar moeder om Sharon stapels pikant ondergoed op te sturen, dure stoffen met er in verwerkt bloemenmotiefjes, maar wel dun, klein, glanzend. Ik heb er nog een roze exemplaar van als souvenir.
Hoewel ze van de hippiegeneratie was, leek ze er niet door bepaald. Ze had wel weekendjes in Greenwich Village rond gehangen als tiener, maar ze was nooit echt in drugs geïnteresseerd geweest, noch in linkse politiek. Ze was pas ontmaagd teen ze 24 was (een record), dus dat was het niet, hoewel... Het straalde van haar af, ze had niets van alles wat met sexy gedrag of uiterlijk wordt geassocieerd, het zat diep, donker, eronder. Ze vertelde dat ze, net als ik, in Subiaco opzij bij die gesloten deur had gestaan. Een priester liet haar binnen, liet haar er alles zien en probeerde vervolgens zich aan haar te vergrijpen. Dat was hem niet gelukt, Sharon praatte erover alsof ze niet echt gevaar had gelopen. Ze was gefascineerd door de priester, dat is blijkbaar onverwoestbaar in vrouwen. Ze was heel openlijk over haar voorliefde voor vibrators en met Hadewych kon ze ginnegappen over de creativiteit in het gebruik van douchekoppen. Haar fascinatie voor hoeren was ook evident, daar had ze in New Orleans vlak bovenop gezeten. Eén verhaal herinner ik me speciaal: toen ze 13 was, kocht ze vieze boekjes, haalde de jongetjes uit de buurt binnen, gaf ze de vieze boekjes. Zelf ging ze naar de jongetjes zitten kijken die door de boekjes heen bladerden.
Voor haar vader had ze een blinde vlek; ze kon ook niet goed overzien hoezeer hij met de Moonies verstrengeld was. Ze vertelde de meest verontrustende verhalen, ook over Seths vader Joël Grae, maar ze leek er geen conclusies uit te kunnen trekken. Overigens hevelde ze een deel van haar gevoelens ten opzichte van haar vader over op haar Japanse fotografieleraar, over wie ze vaak met genegenheid sprak. Ze bewonderde hem mateloos, zijn leefwijze, zijn kinderen, zijn huis, zijn foto's, zijn oordeel. Hij zag alleen maar de vorm van foto's, de inhoud deed er absoluut niets tee, Sharon neigde daar ook toe, maar was er minder absoluut in. Ik redetwistte daarover weleens met haar. Zulke zuivere vormmaniakken heb je bij kunstgeschiedenis ook, voor mij zijn het starre puristen.
145
Sharon nam moderne kunst ook serieus, ik niet, maar ik was er niet op uit haar geloof te ondergraven. Japan was sowieso speciaal voor haar: haar leraar, de strakke vormen, Yoko Ono, sushi, kabuki (speciale voorliefde), alles zat op één lijn.
Toen we van de Trevi weggingen leek alles veel leger. Ik had er eigenlijk willen blijven maar zwalkte doelloos met de anderen mee. We kwamen bij een ander mooi, donker plein, waar prachtige nichten rondhingen, stoer, mannelijk, in T-shirts met overkrullend borsthaar, bruine gespierde ledematen. En wie liep daar tussen, hangin' out with the boys? Eric. Opnieuw keek hij betrapt en vriendelijk naar Sharon. Het was zijn wereld, dus we liepen door. De volgende halte waren de Spaanse Trappen, voor Rome wat de Dam hier vroeger was, vol jongelieden, veel gitaren en fluiten. Hadewych was meteen spoorloos, en Sharon wilde niet weg voor ze weer op kwam dagen – dat zou ze voor niemand anders gedaan hebben. Hadewych bleef een uur weg, wilde daarna niet zeggen wat ze had uitgevoerd. Toen we moegelopen waren zakten we aangenaam weg op een terras op een pleintje, met pizza's en bier (woekerprijs trouwens); waar we het over hadden, weet ik niet meer. We wisten niet hoe we terug moesten, de straten werden leger, niemand vond het urgent.
Opeens komt er gierend een politiewagen aan, stopt abrupt. Drie agenten met mitrailleurs sprongen eruit, op ons toe. Ze moesten mij hebben. Ik werd tegen de muur gekwakt, handen omhoog, loop in de rug. Steven trok wit weg en probeerde in het Duits te stotteren; de agenten reageerden nauwelijks. Sharon was versteend, Hadewych zag ik niet. Onderwijl werd ik grondig betast, mijn paspoort bestudeerd, ik zei geen woord, ik keek wel. Het waren jonge jongens, ik was niet onder de indruk. Natuurlijk was het Rode Brigade-koorts, maar het ging meteen door me heen dat die jongens ook wat te doen moeten hebben 's nachts. Zoals vaker in zulke situaties gaat er bij mij onmiddellijk een knop om: reageer automatisch, gedachten op nul, geen angst. Zonder excuus taaiden ze af. Er kwam een jongen op ons toe: ‘I saw what they did (hoofdschuddend). I went away from my country because of this. But here it’s the same, they do it here too'. Het was een Braziliaan, ik vond het beroerd voor hem. Nog steeds hoofdschuddend liep hij weg. Steven moest even bijkomen, de trilling uit de stem en de knik uit de knie, Sharon zei dat ze niet bang was geweest. Steven dwong haar toe te geven dat ze bang was geweest, geen nut.
naar Aflevering 28
naar INHOUD