Last Tango In Korea

De Mooniereis van 1981

 

 

AFLEVERING 4

 

16

 

Je mocht dit niet, je mocht dat niet. Je werd ook voortdurend in de gaten gehouden en terug in de rij gezet. Betsy Colford deed het nog vriendelijk, Richardson niet. Hij foeterde Wendy uit omdat ze een dag te laat binnen kwam, hij dreigde Reinhard, die toch al kwetsbaar van zichzelf was met naar huis sturen, omdat hij een keer niet op het eten kwam. Mensen die elkaar kenden werden uit elkaar getrokken en in verschillende teams gezet. In de teams voelde iedereen zich gewikt en gewogen: ze lokten iedereen zo veel mogelijk uit de tent, het mooiste was als je je hart uitstortte, dan losten zij je problemen wel voor je op. Wat heel belangrijk was: je mocht het terrein niet af. Dat maakte mensen bang. Het was een afgesloten wereld met eigen regels en het leek net alsof iedereen het normaal vond. Het leek alsof er alleen met jou iets mis was. Toen ik een keer met Hadewych stond te kletsen, kwam Richardson er aan en zei snauwend: zitten jullie weer te hokken in je eigen etnische groep? Dat was fout, want je moest je contacten binnen je eigen team zoeken. Ik zei niks, Hadewych liet zich niet ontmoedigen, ze had meteen een antwoord. Ze zei dat ze een poos niet meer met me gepraat had, maar met een duidelijke ondertoon van ‘man zeur niet’. Hij taaide af. Hadewych begon te veranderen. Patries was nog in New York, samen met de andere Moonie-echtparen en zonder haar begon Hadewych tussen mij en René in zich tegen de Moonies op te stellen.

 

Deze dagen begon ik zicht op de participants te krijgen. Het begon als een versnipperd zooitje. ledereen was doodmoe van de reis en de eerste dag in Madison Square Garden, onzeker ook: niemand wist wat hij aan de ander had. Je werd meteen onder druk gezet, en in je eentje begon je niks. Je werd constant in de gaten gehouden: er zaten Moonieheulers onder de participants. Je wist niet wie je moest vertrouwen. De leiders waren of autoritair of bang en onzeker en dat voelden we. In de top werd gevochten over een harde of een zachte lijn en je wist niet wie er zou winnen. Maar tussen alle paranoia door vonden de participants elkaar toch. Ik heb met nog nooit zoveel verschillende mensen gepraat als in die dagen. We mochten binnen niet roken, dus rookten we buiten. Onder de rokers zaten de meeste dwarsliggers, spontaan ontstonden er complete samenzweringen. Er begon zich een groep te vormen die zich en bloc tegen de leiding begon op te stellen. Twee dingen waren geruststellend: ten eerste was de gemiddelde leeftijd tussen de 25 en de 30, ten tweede hadden de meesten nauwelijks een selectie ondergaan en waren ze vrij lukraak aangenomen. Het eerste betekende dat de mondigheid aanmerkelijk toenam. De Moonies hadden gemikt op een leeftijd van 18 à 20 jaar, jonge studentjes is hun meest kwetsbare periode. Als dat ook echt was gebeurd, dan had de leiding de groep plat gekregen. Je kon zo zien dat jonge jongens als Tarik en Reinhard geen schijn van kans hadden gehad. Het bleek later dat de Moonies, die pas in april aan de klus waren begonnen, als gekken hadden gewerkt om de reis goed te organiseren en dat is ze ook gelukt – maar ze hadden

 

17

 

het belangrijkste laten sloffen, namelijk het screenen van de participants: daar was geen tijd meer voor. Ze wilden 200 deelnemers, ze kregen er 120. Ten eerste bleek het moeilijk voor hen om zulke jonge mensen te krijgen, omdat de druk van familie en omgeving en eigen Moonieangst die mensen afschrikte. Sharons jonger broertje bijvoorbeeld las van tevoren alles over de Moonies wat hij te pakken kon krijgen, en durfde toen niet meer. De Moonies waren dus gedwongen de leeftijd op te schroeven. Oudere studenten staan steviger in hun schoenen en kunnen de Moonieangst in hun omgeving aan hun laars lappen: dat had ik zelf ook gedaan. Maar dat was nadelig voor de Moonies, omdat ze moeilijker geïntimideerd en bespeeld konden worden. Zelfs met het opschroeven van de leeftijd kwamen de Moonies er nog niet, op het laatst namen ze iedereen aan, die hen maar voor de voeten liep, zoals ik. Richardson was toch in Holland, dus vroeg hij Patries of ze niet een stel mensen wist. Ik had gedacht dat iedereen zo'n gesprek had gehad als ik, maar kennelijk had Richardson dat voor zijn plezier gedaan. Met Hadewych en René was hij gewoon uit eten geweest, ze hadden over koetjes en kalfjes gepraat en ze waren aangenomen. Er was nog iemand uit Nijmegen aangenomen, die op de valreep afhaakte met het argument dat zo'n reis te veel indrukken in te korte tijd zou geven, hij zou te erg overstelpt worden. Hij had zijn ticket al. Ik heb hem later gezien in Nijmegen.

 

Velen waren via Moonies aangenomen, anderen via universiteiten, via professoren die op NEW ERA-conferenties waren geweest. Die stuurden dan een geliefde student die er oren naar had. Marcella was er zo een. Velen waren gekomen zonder te weten dat het om de Moonies ging, sommigen hadden er nog nooit van gehoord, vooral onder de derde wereld-mensen, dus die wisten niet hoe ze het hadden toen ze in deze waanzin terecht kwamen. De meesten konden wel Engels, de voertaal, maar niet goed genoeg om tegen de snelle jongens van de leiding op te kunnen. Het massahuwelijk in Madison Square Garden had velen beangstigd en verward. De andere dag moest daarover in de teams gediscussieerd worden. In mijn team durfde niemand te zeggen dat het krankzinnig was. In

één team werd er uitgesproken kritisch over gesproken. Kasy probeerde bovendien er door te krijgen om Moonies niet Moonies te noemen maar Unification Church members of U.C. members. Dat mislukte, de volgende dag zei iedereen weer Moonies. Sommige derdewereldmensen wisten alleen maar dat het om een christelijke organisatie ging. Toen ze begrepen dat ze in handen van een sekte waren, werden ze bang. Fear and loathing in Barrytown. Hadewych vertelde dat ze buiten met Minoo (een Perzische) zat te praten over de Moonies. Minoo zei toen dat de Moonies alles goed deden en wilde geen kritiek horen. Later op de slaapzaal fluisterde ze dat ze doodsbang was voor de Moonies, maar dat

 

18

 

niet openlijk durfde te zeggen: ze was bang dat ze werd afgeluisterd. Er werd inderdaad afgeluisterd, bleek later onomstotelijk. De Nepalezen zeiden tegen mij dat ze bang waren, een andere Pers vroeg zich af of we ooit uit Barrytown weg zouden komen, de Indiërs waren zichtbaar bang en sloten zich compleet af binnen hun eigen groep. Sharon zei later dat ze bang was; een andere Amerikaanse was zo bang dat ze er tussenuit glipte en de FBI heeft opgebeld. De FBI bleek niet van onze aanwezigheid in Barrytown op de hoogte, maar ze stelden haar gerust en zeiden dat ze het in de gaten zouden houden.

 

De leiding begreep dat de screening had gehaperd en dat wilden ze in Barrytown goed maken. René zei dat hij op de slaapzaal Bob O'Brien (een van mijn teamleaders) met een Moonie hoorde praten over wie er uit moest; hij kon geen namen verstaan. Dat wekte onrust omdat de rest dan zwakker kwam te staan. Bob was iemand die zich opwierp als medestander van de participants en als het er op aankwam bevelen van boven opvolgde. Ik zei tegen hem dat er wat ging gebeuren vanuit de participants als het zo door ging. Hij trok een pijnlijk gezicht en zei dat veel teamleaders hard werkten om de problemen op te lossen, om ons te beschermen, we moesten ons geen zorgen maken. Ik zei dat hij al die moeilijkheden niet voor ons verborgen kon houden. Het ging om ons en de top kon niet

alles achter onze rug om doen. Dat gaf hij toe, maar niet van harte. Zelfs de teamleaders die tegen Richardson waren probeerden de ruzies in de top verborgen te houden. We werden als onmondig behandeld.

 

De dagen werden door de leiding ingedeeld: de hoofdmoot waren bijeenkomsten over de reis en lezingen over de wereldgodsdiensten. Op de tweede plaats team meetings, sport naar keuze en ‘s avonds vaak amusement. Het meeste daarvan heb ik gemist, want dan was ik het bos in. Dat was makkelijk: als ik het benauwd kreeg, was ik meteen weg. Ik had veel adrenalinerushes, veel duizelig en veel alsof alle kracht uit me weg ging. Dan had ik alle aandacht nodig om bij te blijven en goed adem te halen. Ik vond een mooie plek met uitzicht op de bergen aan de andere kant van de Hudson. Soms las ik wat: Girard's Choses cachées depuis la fondation du monde, meestal bracht ik dat niet op. Over de Moonies zat ik niet zo in; ik dacht dat het nooit zo erg kon zijn als wat ik achter de rug had in Holland. Ik heb ook de brief aan Harbert af geschreven, waar ik doodmoe van werd. Vlak voor ik wegging, had hij een briefje in de brievenbus gedaan met de regel: ik wil je spreken. Dat was het. Ik had daar niet zo zin in, maar dat hij dat überhaupt wilde, viel me mee. Ik dacht dat Sas erachter zat. De dag erna was een van mijn acid nachtmerrie-dagen: We waren op de Rietveld naar Marions afstudeerproject gaan kijken. Pedro zei dat Harbert nu met Anja had gepraat (Anja had hem

 

19

 

eerst niet willen zien) en had gezegd dat het helemaal niet erg was dat hij Sas had overgenomen omdat de relatie tussen mij en haar toch een puinhoop was. Dat maakte me nog zieker. Het herinnerde me aan Sas’ manoeuvre, die waarschijnlijk ook aan Harberts woorden ten grondslag lag. In het begin had Sas met de mond vol tanden gestaan, maar ze begreep op den duur dat ze een verhaal moest hebben, een rechtvaardiging van waarom ze het gedaan had. Het lag voor de hand dat ze alles wat ze maar tegen me kon bedenken ging opsommen als mensen er naar vroegen, terwijl géén van die bezwaren direct tot de breuk aanleiding hadden gegeven. Ze wekte een beeld alsof het heel beroerd was in de tijd ervoor, ze wist dat het niet waar was.

Toen ik het Pedro hoorde zeggen verging me alle lust om met Harbert te praten, als hij zulke smoezen ophing, ook al had ik nog het een en ander te zeggen. Dat gebeurde dus per brief: ik zag het als het laatste woord. Daarna had ik geen zin meer om erover te praten; dat was al genoeg gedaan. Toen ik de brief af had, heb ik hem gekopieerd. Ik was opgelucht toen ik ervan af was.

 

Buiten waren er twee tafels met banken waar rokers zich ophielden en de wantrouwige blikken van de leiding weerstonden. Er waren ook twee verschillende groepen rond de twee tafels. De eerste tafel, vlak bij de ingang, trok een gemengd gezelschap, merendeels vrij voorzichtige mensen, de tweede tafel trok uitgesproken dwarsliggers. Ik zat bij allebei. Opvallend was dat veel mensen die niet meer rookten terug vielen in hun nicotineverslaving om hun zenuwen te ondersteunen. Alma Rosa had me op de ferry voor het eerst aangesproken: een kleine ronde Mexicaanse, kort zwart haar, ruime boezem, een muizegezichtje, muizestemmetje, miljonairsdochter, studeerde in de VS. Het was opvallend hoeveel rijkeluiskinderen de Moonies bijeen hadden gebracht. Alma Rasa rookte maar één merk menthol, had altijd een draagbare asbak met zich mee, zelfs als ze buiten was en droeg een stuk of tien sloffen van haar merk de wereld rond. Ze lachte altijd en sprak met een ontwapenend accent. Dat praten over en weer ging zo snel dat ze er in no time over begon hoe aardig en interessant ze me vond. Ze zei dat ik een soort priester was. Dat had vroeger een vrouw in Malta ook al tegen me gezegd: katholieke vrouwen zijn onverbeterlijk. Mijn haren gingen recht overeind staan: ik vroeg hoe ze dat bedoelde, want ik haat priesters, en dat zei ik ook. Ze zag dat ze iets verkeerds had gezegd en ze haastte zich te zeggen dat ik was zoals een priester eigenlijk zou moeten zijn, maar hoe dan zei ze niet. Dat maakte het er niet beter op. Hoe geflipt priesters ook zijn, ze denken toch dat ze beter zijn dan anderen en zich dus ook alles kunnen permitteren, vooral over mensen heen lopen. Ik heb me op de universiteit uitgebreid met die lui bezig gehouden. Achter al hun deemoed

 

20

 

schuilt een verpletterende arrogantie. Ik had me speciaal bezig gehouden met de fascinatie van vrouwen voor priesters als een aparte seksuele categorie. Het is ongelofelijk waar priesters allemaal mee weg kwamen. Zum kotzen. Of het nu Gijsen is of een progressieve PPR-pater die zwijmelt over bezinning, solidariteit met de verdrukten en het vertalen van Jezus’ boodschap in het dagelijks leven, ik kan ze niet serieus nemen. Toen in Malta heb ik tegenover Patrizia (zo heette ze) de katholieke kerk zo scherp afgemaakt, dat ze bijna begon te huilen; tegen Alma Rosa deed ik het kalm aan, maar onze ‘verhouding’ was uit. Ik zit er nu aan te denken hoe het zou zijn als ik met Alma Rosa door was gegaan. Ik zie me al zitten op een veranda op haar ranch in Piedras Negras aan de Rio Grande. Ik zou nooit hoeven te werken, alleen maar ‘priester’ zijn voor haar. Ik zou geflipte Amerikanen tegenkomen die al jaren op zoek zijn naar don Juan. En peyote voor het oprapen.

Minoo, circa 30, was een Perzische die in de VS studeerde: fors, dik, heel mooie gitzwarte ogen, ze kwam me ongelofelijk bekend voor, alsof ze familie was. Net als Alma Rosa schatrijk. Ze had een kinderlijke slissende manier van praten. Daardoor leek ze haast simpel, maar dat was ze dus niet. Minoo zal in het verhaal meer voorkomen.

Ulrich, circa 25, een kleine Keulenaar, baard en snor, sjofel, rookte shag, pretogen, stonede lach en geniaal: hij studeerde filosofie, theologie en scheikunde tegelijk. Net als ik was hij door Richardson met alle égards binnengehaald. Later in Amsterdam, toen Sharon out lag, vertelde hij zijn achtergrond: op zijn 11de begon hij te drinken en zat hij in een anarchistische beweging, op zijn 12de begon hij te neuken – zijn eerste grote liefde, die drie dagen duurde totdat de politie het weggelopen meisje weghaalde – en te blowen. Op zijn 13de begon hij met acid. Als de dealers nieuwe waar binnen hadden was hij altijd bereid tot uittesten. Op zijn 14de begon hij te spuiten (opium), op zijn 16de was hij afgekickt, op zijn 17de stond hij op het punt om zelfmoord te plegen samen met een vrouw, toen ze op het nippertje verliefd op elkaar werden. Als het mis ging zouden ze het alsnog doen: dat scheelde een paar keer niet veel. Jaren had hij de cyaankali op tafel en bood hij het zijn vrienden aan bij het eerste teken dat er iets mis was. Hij is nog steeds bij die vrouw. Uiteindelijk werden ze allebei katholiek, maar zijn katholiek-zijn is enigszins verdacht: hij had Huijsmans À  Rebours en Pelaidans Vice Suprême in de boekenkast staan: bekering uit decadentie. Tegen de tijd dat hij dit vertelde, wist ik genoeg van hem om te weten dat hij het niet uit zijn duim zoog. Lachend zei hij vaak dat katholieken ontzettend stom waren, maar de Moonies nog stommer: ‘They're not brainwashed, they have no brains to wash’. Hij praatte met liefde over opium, die hij een koninklijke drug noemde. Je kon aan hem merken dat hem alles egal was: hij had een verheven onverschilligheid, hij had alles al gedaan, hij hoefde niets meer per se. Hij was ook grenzeloos lui.

 

Naar aflevering 5

 

Naar INHOUD