.

21
Ulrich kon zich onzichtbaar maken en niemand kon hem iets wijs maken. Ik heb het altijd jammer gevonden dat ik geen Duits met hem kon praten: in Duits was hij snel en briljant. Hij kon redelijk Engels, maar er ging een hoop van zijn scherpte verloren. Het was meteen duidelijk dat hij zich totaal niet verplicht voelde jegens de Moonies.
Er zat ook vaak een oudere vrouw, kort haar, schrikogen, heel nerveus, veel lachend, die zo joviaal mogelijk met meisjes deed. Na een paar dagen wist ik dat het Jean Prosen was, psychiater Mel Prosen's vrouw. Voor in de 40, iets groter dan Mel en een Elly de Waard-coupe, dat alleen al. Ik bleef erbij uit de buurt.
Aan de tafel waren ook Nepalezen, Pradeep, Laxman, Sumon en Tashi. De eerste zou later mijn vaste roommate worden. Pradeep en Laxman vormden een tweetal, waarvan de eerste duidelijk de leiding had. Pradeep was een kettingroker, nerveus, felle gitogen, snor, bril, keurige haardracht: hij praatte zo snel dat hij over zijn eigen woorden struikelde en daardoor leek het soms dat hij stotterde. Zijn Nepali was net spervuur, hij praatte met zijn hele lijf. Hij was 26 en van een hoge adellijke familie. Hij was een communistische studentenleider, had in de gevangenis gezeten om politieke redenen. Hij vertrouwde me vrijwel meteen en zei dat hij godsdienst haatte: elke gelovige is een potentiële fanaticus voor hem. Aan Pradeep kun je duidelijk zien hoe de Moonies zich vergaloppeerden aan diverse participants: hij had er nooit bij mogen zijn. Zijn vader was Nepalees ambassadeur in Pakistan en Pradeep was bijna afgestudeerd in politicologie in Islamabad, de nieuwe Pakistaanse hoofdstad; ook daar was hij politiek actief. In Barrytown was hij bang en onzeker en leek hij klein; dat zou drastisch veranderen.
Laxman was 22, had een hoge hese stem en was nog nerveuzer dan Pradeep. Ook hij was van hoge komaf: zijn familie was gelieerd aan de koninklijke familie van Nepal. Hij lachte veel, maar camoufleerde de zee van onrust slecht. Ik heb met Pradeep en Laxman veel over politiek gepraat en ze verzekerden me dat er storm op til was in Nepal. Hun land wordt communistisch in vijf jaar, daar zijn ze zeker van. Ik had in 1980 zelf de politieke onrust daar mee gemaakt, maar dit had ik toch niet verwacht. Nou valt het communisme daar wel mee, net als in India. Het zal niet gaan als in Cambodja. Als je afgaat op de Indiase communisten blijft het relaxed: Nepal zal open blijven, alleen al omdat ze niet meer zonder toerisme kunnen. Maar Nepalezen zijn wel vechters, dus de revolutie zelf zal niet zonder doden zijn.
Tashi bevestigde hun mening; hij ging met Pradeep en Laxman om, maar er bleef verschil door hun verschillende sociale achtergrond. Tashi was een Sherpa, hij had een expeditie naar de Everest afgezegd voor deze trip. Pradeep en Laxman zagen eruit als Hindoes (Pradeep was een Brahmaan), Tashi zag er Tibetaans uit (Sherpa's zijn een Tibetaans volk), klein, gedrongen, een rond gezicht en een brede lach. Hij was meer op zijn gemak dan de andere twee. Hij was ergens in de twintig, moeilijk te schatten.
22
Sumon was ouder en wijzer: een getrouwde vrouw met kinderen. Ze zei dat ze een makkelijke echtgenoot had, was goed opgeleid en werkte voor de regering als een soort inspectrice. Ze was Newari, klein en mollig en een bril met dikke glazen, laag op haar neus. Ze kon een mooi verstilde blik in haar ogen hebben. De participants gebruikten meestal een soort dienst-klapdeur om in en uit te gaan, waar altijd machinegeraas en gekletter van de keuken te horen was, het leek een soort sluis. Voor mij was het heel geruststellend, omdat het me aan de conservenfabriek in Driel deed denken. In die fabriek heb ik een van de gelukkigste dagen van mijn leven gehad, toen ik tijdens hard werken met veel bukken over mijn moeheid heen kwam en het geraas om me heen veranderde in het mooiste geluid dat ik ooit had gehoord: dat geluid maakte alles ongedaan, loste alles op. Annelies was daar ook en merkte het, anderen ook: iemand kwam op me toe en vroeg hoe het kwam dat ik zo mooi zong. Ik wist niet wat ik moest zeggen, voelde me een beetje betrapt, maar het maakte niets uit. Ik was toen 18. Nu ik schrijf zie ik dat ook de plek waar ik bij voorkeur buiten zat als ik alleen was, me terug bracht naar dezelfde tijd. Ik herinner me dat ik het gek vond dat ik er nooit iemand zag, terwijl hij in mijn ogen toch zo voor de hand lag. Het was een open plek met hoge halmen met een prachtig vergezicht en als je daar zat, leek er een gouden gloed over alles heen te liggen en de bergen in de verte hadden een licht paarse helderheid. Die gouden gloed brengt terug naar mijn eerste acid trip, ook toen ik 18 was. Nu ik het op afstand zie, krijg ik het idee dat ik me zelf oplaadde uit een krachtbron van lang geleden. Diep in me wist ik dat mij in Barrytown niets kon overkomen; ik had niets tegen die plek, terwijl ik tegelijk zag hoe onbehaaglijk anderen zich voelden.
Op een avond heb ik een hele tijd met Sumon staan praten: ze leunde legen de klapdeur. Ze hoorde tot die Newari's die boeddhisten zijn, maar zo primitief en magisch, dat de oorsprong nauwelijks meer herkenbaar is. Omdat ze naar scholen is geweest was ze in staat om via andere kanalen het Boeddhisme in zich op te nemen. Voor haar was dat een doorbraak en een nieuw inzicht en ze bracht het er in één stroom uit. Sumon stopte haar handen vaak in haar mouwen zoals monniken doen. Ik had het idee van haar dat ze de oude riten van haar volk had versmolten met een persoonlijke omwenteling: ze had ook leren mediteren. Er zaten priesters in haar familie en die kon ik me zo voorstellen. Op Svayambhu had ik tijdens Buddha Jayanti zulke priesters een heel ritueel zien doen, met hun veelkleurige gewaden en kappen. Ik heb toen tijden in hun rook gestaan.
Een paar ochtenden later bij het ontbijt sprak Krishna me aan: hij was met Sumon naar New York geweest en hij was in opperbeste stemming: ‘She made me very happy’, zei hij, waar ze bij zat. Hij had haar dus gepakt. Na die dag heeft hij niet meer naar haar om gekeken. Zelf lachte ze toen een beetje, ik wist niet goed hoe ik dat moest interpreteren. Ik ging er niet verder op in.
23
Vlakbij de tafel was een boom, daar hingen de Indiërs vaak rond. De Indiërs bleven de hele reis door onder elkaar en mengden zich niet onder de rest. De Koreanen en Japanners deden hetzelfde: die zag je zelfs nauwelijks. De Indiërs waren duidelijk niet op hun gemak en nerveus. Ze klitten aan elkaar, ondanks Moonie-verzet: de Moonies wilden dit juist voorkomen. De Indiërs waren allen van goeden huize, weinig opstandig en naïef: ze kwamen vrijwel allemaal van Bangalore en Mysore, spraken Kannada onder elkaar – dat klonk zachter en vloeiender dan Tamil; ik kon er geen touw aan vast knopen – en hadden ook niets te maken met de Nepalezen. Één was er duidelijk de koningin, Heema, prachtig rank, perfecte gratie. Ze was een klassiek opgeleide danseres; in Barrytown heeft ze twee keer in vol ornaat gedanst: de eerste keer had ik er een brok van in de keel. Dat was 's avonds, na een belachelijke vertoning van Richardson. 's Avonds was er altijd amusement, dat wil zeggen zang en soms dans. Moonies en participants die konden zingen en spelen deden dat: ik was er meestal niet bij. Richardson was gemaakt relaxed, zat op zijn knieën voor het podium, kondigde de dans aan en zei dat hij dan wel met de pet rond zou gaan omdat de Indiërs het geld konden gebruiken: de Indiërs waren in principe rijk, maar net als voor de Nepalezen is het voor hen heel moeilijk geld het land mee uit te nemen. De Indiërs waren scandalized, het was vernederend. Richardson moest zijn woorden inslikken. De dans zelf was een weldadig bad.
Er was vaak een meisje in Heema's buurt, als een dienares, Meera. Ze was iets kleiner, iets Arabischer en had een beugel die haar goed stand. Heema was een prime target voor de Moonies en helaas is ze uiteindelijk helemaal ingepakt. Onder die boom leken de Indiërs eigenlijk één familie: ze schermden elkaar af van de dreiging. Ik hoorde later dat ze geoefend hadden om met mes en vork te eten. Ze rookten en dronken niet. Ik vond het op een of andere manier geruststellend dat ze er waren. Met één had ik een beetje contact: Anantha, een heel klein verlegen jongetje, dat zo veel mogelijk in de buurt van zijn bed rondhing op de slaapzaal. Op weg naar mijn eigen bed kwam ik hem altijd tegen en we zeiden elkaar oprecht goeiedag. Hij had iets smekends in zijn ogen, alsof hij doodsbang was.
Zoals eerder gezegd had iedereen naamplaatjes (tags) op met een kikker of een zonnetje of iets anders stoms, het embleem gaf het team aan. De Moonies dwongen iedereen die op te doen: ik vergat ze elke keer per ongeluk-expres, sloopte het embleem en bovendien stond in tegenstelling tot bij de anderen mijn land er niet op. Dat was de aanleiding voor een spelletje waar Laxman mee begon en Pradeep en Tashi aan meededen. Laxman vroeg of ik van Heyden kwam en wat voor land dat was. Ik zei dat het een eiland was aan de noordpool. Toen ze vroegen hoeveel inwoners het had, zei ik één. Toen begon hij
24
er echt plezier in te krijgen en vroeg hij me het hemd van het lijf over Heyden, wat hij uitsprak als ‘Aizden’. Ik fantaseerde erop los en ze maakten me ook nog koning over het eiland. Het enige exportproduct was ijs, dat exclusief werd geleverd aan de koning van Nepal en aan Indira, als de finishing touch in hun cocktails. Laxman werd het spel nooit mee, de hele tijd in Barrytown door. Zo gauw als ze me zagen begonnen ze al te grijnzen en riepen ‘Good morning Your Majesty, how are you today?’ of iets vergelijkbaars. Dit deden ze zo vaak en met zo'n intensiteit dat ik me een beetje weird begon te voelen. Na Barrytown hield het ineens op. Er was er nog een die daaraan mee deed: Amornruch, een Thaise uit de Gouden Driehoek, een klein schatje, ca. 20, met een hoge stem en een weird soort Engels; ze lachte veel. Ze leek heel naïef, maar dat was ze niet. De druk op haar was niet mis. De Moonies aasden op haar, want naïevelingen leken makkelijk; ze aasden daarom ook op Marcella. Daar kwam bij dat hordes jongens achter haar aan zaten. Na een poos was het me duidelijk dat veel jongens elke Thaise als een hoer zien, of in elk geval neukbaar: het was walgelijk om te zien. Later in Jerusalem werd het zo bar, dat ze is uitgevallen tegen die jongens en zei dat ze het alleen deed met haar verloofde en verder niemand, basta. Dat hielp.
Een eind verder van het klooster was een andere tafel met een ander publiek, daar zaten de ‘volwassenen’. De groep bestond uit mensen die al een heel leven achter zich hadden, zich niet in de luren lieten leggen en ook de angst niet lieten overheersen. Ze bespraken de zaken rustig, de Moonies hadden geen schijn van kans deze mensen in te palmen, zo leek het tenminste. In elk geval was die tafel het bastion van verzet. Debby, Geraldine en haar lover Chris zaten daar, hen kende ik al, de rest was nieuw. Twee van hen leerde ik daar kennen, Steven en Christian.
Steven was een boom van een Amerikaan van achter in de 20, halflang haar, brede lach, vol puisten, diepe stem, kwam van Chicago via Colorado naar California, leefde in Santa Barbara, net als mijn teamleader Bob O'Brien, die hij op afstand kende, studeerde antropologie. Hij was een typisch product van de Westcoast. Voor hem was het leven ongecompliceerd, sex, drugs en rock&roll, wilde parties, exotische manieren om coke in te nemen, liflafjes en easy money. Hij had rugby gespeeld, was net als de meeste Amerikaanse oude hippies een echte Deadhead – hij had de Grateful Dead 12 keer gezien – en de wetenschap was ervoor om er zoveel mogelijk van te profiteren: beurzen, snoepreisjes, conferenties, allemaal betaald, daar ging het om. De Mooniereis zag hij in hetzelfde licht, hij zou onbeperkt op Moonie uitnodigingen ingaan, zolang ze maar betaalden. Ik heb hem nooit van het gevaar daarvan kunnen overtuigen. Het was geen
25
diepe denker, maar dat wil niet zorgen dat hij stom was, integendeel. Ik mocht hem, hij was open en vriendelijk naar mensen toe, en dat kon van de meeste Amerikanen in het gezelschap niet gezegd worden: velen begonnen in Barrytown met koele reserve. Christian was iets heel anders, een knappe Fransman, Parijzenaar, bruin doorgroefd gezicht, doorgewinterd, een charmeur van het zuiverste water, die ook onmiddellijk door iedereen als een Don Juan werd beschouwd, en niet ten onrechte. Hij was jaren in de wildernis in Australië geweest, was gescheiden, had een kind, studeerde antropologie en had een ruime ervaring met de Moonies. Christian was qua aanleg een denker, getraind in de moderne Franse denkers die al een poos bezig zijn alle gekoesterde waarden van de westerse cultuur aan puin te schieten en leven op de rand van de waanzin. Christian was net zo: hij was voor normale begrippen volslagen gek, wist het en geneerde zich er niet voor. Ik mocht hem graag. Aan de ene kant bewoog hij zich in academische kringen, aan de andere kant te midden van sektes en ander loslopend tuig. Hij was ervan overtuigd geweest dat hij de Messias was – in Barrytown was hij daar niet meer zeker van –, had dat, en dat is uniek, ook op de universiteit op academische manier verdedigd, maar was ook bij de Moonies binnen gelopen om zichzelf voor te stellen als Messias. De Moonies kunnen heel wat gekte hebben en smeerden hem stroop om de mond; Christian vond de Moonies zó weird dat hij in hun buurt is gebleven. Hij is zelfs naar zo'n speciale sessie van een paar weken geweest in een afgelegen oord, waar ze op je in schreeuwen en alles op je loslaten om je murw te beuken, maar daar was hij naar een paar dagen gewoon weggelopen. Hij nam alle halvegaren die de Moonies erheen hadden gelokt mee naar zijn huis en heeft het met ze op een zuipen gezet. Hij kende de Franse Moonie scene goed: de universiteit zat aan hem te trekken om los te laten wat hij wist, maar voor hem was er geen fundamenteel onderscheid tussen de waanzin van de universiteit en de waanzin van de Unification Church. Ik was het met hem eens. Er waren net de maand daarvoor grootscheeps invallen gedaan in Moonie holen en mensen gekidnapt. Christian zei dat de anti-Moonies fanatici waren en geen haar beter dan hun tegenstanders. Ulrich, die de Duitse situatie kende, zei hetzelfde. Franse Moonies dronken trouwens en hij kende een maniak onder hen, die een serie seksuele delicten achter zich had. Hij zei dat niet alle Moonies het celibaat konden volhouden. De dag voor Barrytown had hij nog met Lévi-Strauss gesproken over de Moonies. Die zei dat hij vaak door de Moonies was uitgenodigd, zonder ooit te gaan: hij smaalde erom. Ik herinner me een zin van Lévi-Strauss die Christian zei: Ils volent bas. L-S had hem adressen gegeven van universiteiten in Seoul. Achteraf denk ik dat Christian hem daar veiligheidshalve om had gevraagd, voor het geval dat het in Korea heavy zou worden, daar waren velen in Barrytown bang voor.
Naar aflevering 6
Naar INHOUD