Last Tango In Korea

De Mooniereis van 1981

 

 

AFLEVERING 6

 

26

 

Christian maakte zich niet vlug druk, dat liet hij aan de Moonies over. Directe actie was van hem niet te verwachten (van Steven wel); toch zou hij op de valreep de prachtigste subversieve actie uitvoeren van de hele trip, maar dat komt op het laatst. Hij leek soms langzaam, indolent, maar als het erop aan kwam was hij snel; hij was al ietsje vadsig, had een bril met gekleurde glazen en ik verdenk hem van een kunstgebit. Hij was voor in de 30. En laat ik zijn fraaie ruige borsthaar niet vergeten: het woekerde zelf over zijn schouders. Aan die tafel zag ik ook Peter Beijer, Canadees, ca. 30, voor het eerst. Ik vond hem een engerd toen: heel nerveus, trappelde de hele tijd met zijn voet, net als Bob O’ Brien, die ik ook al niet vertrouwde. Hij had een snor en een baard, scheiding opzij, vooruitstekende lippen, zat met zijn handen over elkaar en mengde zich in een intellectuele discussie naar aanleiding van het structuralisme, dat zowel ik als Christian kenden en Steven een beetje. Ik had Girard's Choses cachées in de hand en zo begon het. Christian kende La Violence et le Sacré van Girard, maar dat had geen speciale indruk op hem gemaakt. Peter discussieerde vinnig en nerveus, als of we werkelijk serieus waren: Christian en ik leken op een andere planeet vergeleken bij hem. Hij was een juniorleader en kwam van Richardsons universiteit. We hadden een reserve tegenover elkaar.

Van een ander had ik ook de indruk dat hij een reserve ten opzichte van mij had: Frank, 23, een bebaarde Amerikaan met een wilde blik in de ogen en een eigenaardig half ingeslikt taalgebruik. Hij woonde midden in de wildernis van Oregon en voor hem was Barrytown met al die mensen bij elkaar overstelpend. Hij leek zo uit Ken Kesey's Sometimes a Great Notion weggelopen. Hij leek gehard, zonder het te cultiveren. Aan de tafel zaten ook de twee verpleegsters, die de Moonies hadden ingehuurd om ons bij te staan op reis. Sunny was een typische dom-ogige vlassige Amerikaanse met een brede lach, she absolutely loved Amsterdam. Ze was heel aardig, ze zat ook wel eens aan de andere tafel. De andere nurse, haar vriendin, was van een veel beter kaliber: ik begreep niet goed hoe die twee vriendinnen konden zijn. Dinah was een donkere forse Jodin met dik haar, stekende ogen en dikke lippen. De kleren waren fout zoals van de meeste Amerikaanse vrouwen; velen droegen nog steeds rokken tot op de grond. Daar heb ik allang de buik van vol, ik heb niemand in mini gezien. Maar verder straalde ze seks uit. Ze had een diepe stem en ze kon woorden fraai uitrekken als ze ergens de nadruk op wilde leggen zonder al te serieus te worden. Ze kon bijvoorbeeld kreunend langgerekt zeggen: ‘I'm dyyying to get to Nepal’. Ze had een dodelijke angst voor vliegen. Waarom ging ze dan mee? Ik weet het niet. Ze stond sceptisch tegenover de Moonies. René en Hadewych hingen ook wel eens bij die tafel rond; Moonies kwamen er niet bij in de buurt. Debby zei later dat aan die tafel de opstand is gesmeed: gedeeltelijk is dat waar.

 

27

 

Er was nog een plek: ik heb twee keer volleybal gespeeld. Deze keer was dat speciaal, omdat ik het zorgvuldig besteedde om mijn lichaam uit te proberen, zelfs mijn stem. Net als een zieke moest ik met alles oppassen; gelukkig was het peil belabberd. Ik had van de Amerikanen meer verwacht, maar de tolerantie was onbeperkt: meisjes mochten naar voren als ze moesten serveren, anders kwam de bal niet over het net, en de meesten liepen elkaar alleen maar in de weg, maar iedereen had lol. De tweede keer ging het met mij beter, ik voelde me voor het eerst sinds maanden sterker worden. Ik was opgetogen, zo erg dat ik een paar keer yells riep bracht als de spanning van het spel steeg. Aan mijn kant stond een klein fragiel meisje met donkerblond golvend lang haar, scheiding in het midden en een donkere huid. Op een of andere manier dacht ik dat ze Perzisch was, net als Minoo. Ze ging altijd ver naar voren om te serveren, iedereen ontzag haar. Op een keer toen ze aarzelde riep ik naar haar dat ze moest serveren. Ze keek me direct aan en stopte me. Nu was zij in een keer groot en ik klein. Zonder een woord bracht ze over dat ik niet zo opgefokt moest doen en dat niets en niemand haar kon beïnvloeden. Ik moest mijn beeld meteen herzien nu ik haar personal power voluit had gezien. Ik schaamde me een beetje, ik heb niet meer geschreeuwd, noch aandacht aan haar besteed. Dit duurde allemaal niet langer dan een seconde. Het ontging de rest, het spel ging verder. Later bleek dat Sharon te zijn.

De avond van 3 juli was vol spanning en dreiging. Alle participants leken door de fase van ontwrichting heen te komen en een bepaalde plek voor zich zelf gevonden te hebben. De eerste dagen overheerste verwarring: de participants hadden geen idee hoe ze alles moesten interpreteren. Voor sommigen kwam dat nu wel. Nu waren ze uitgesproken bang en/of anti-Moonie. De meesten hadden kameraden gevonden. Die avond, toen ik met Pradeep en Laxman zat te praten, drong het tot me door dat de zaak naar een kookpunt begon te stijgen. Vooral onder de derde wereld-mensen leek de angst verpletterend en ze leken hulpeloos. Hun Engels kon nooit op tegen de gladde taal van de Moonies en de teamleaders. Tot dan toe was mijn opzet me niet met de Moonies te bemoeien. Toen ik hún angst zag, veranderde er automatisch iets in me: er moest iets gebeuren. Ik zei tegen Pradeep dat ik er iets aan zou doen. Ineens zag ik de volle reikwijdte van wat mensen als Laxman, Amornruch, Marcella en anderen te verwerken hadden. Later zei Wendy dat ze in die dagen niet zeker wist of zij nou gek was of de Moonies. Die avond leek het op het scherp van de snede te liggen: óf de meerderheid ging overstag en nam de nieuwe orde van Barrytown in zich op en verdrong hun aanvankelijke onrust, óf de bom zou barsten. Velen hingen aan de rand van berusting en zich erbij neerleggen: nog even en Richardson leek zijn doel bereikt te hebben. Die dag had de eerste openlijke rel plaatsgehad: 's middags had Richardson alle teamleaders voorgesteld, met een praatje over ieder afzonderlijk. Hij wilde geestig en gevat zijn, maar

 

28

 

hij kwam zelfgenoegzaam en banaal over. Zoals hij zijn vrouw Dorothy voorstelde was walgelijk en denigrerend. Ik geen zin om me te herinneren wat hij precies gezegd heeft, het is de moeite niet, te flauw. Hij stelde ook nog een neger uit Canada voor, een artiest die de reis zou tekenen, David Alexander, die een innemende, bescheiden indruk maakte, en nog een persoonlijke kennis, Aaron Milavec, een lange slungel, bril, baard, een enorm zacht ei met een hoge dunk van zichzelf, die zich met religie en mystiek bezig hield. Hij zou de reis onmiddellijk verwerken en en route zijn waarnemingen stencillen en uitdelen om richting te geven aan onze indrukken. Richardson versprak zich: ‘We pay him to think’ zei hij, wat hij meteen probeerde goed te maken door te zeggen dat wij ook wel mochten denken, maar dat het toch goed was als iemand ons daarbij begeleidde. Ik zat schuin vooraan vlak bij een stel teamleaders, naast René. Hij had altijd zijn recorder bij zich. Richardson was zo vaak zó belachelijk, dat ik het ene commentaar na het andere tegen René spuide, niet al te zachtjes. Ik zag het als entertainment. Op een gegeven moment viel Richardson echter uit. Ik begreep meteen dat iemand had zitten lachen of praten, maar ik kon niet zien wie. Hij hield een hele tirade dat het afgelopen moest zijn met zulk gedrag. Hij begon een heel verhaal dat sommigen van ons ‘spiritual babies’ waren en anderen al ‘spiritually mature’, waaronder hij zelf. Waar het op neer kwam was dat de eerste groep zich door de tweede moest laten leiden. Daarna ging hij verder met de voorstelling. Op het eind werd ieders naam afgeroepen met het team, omdat de teams gewijzigd werden. Als je naam werd afgeroepen, mocht je gaan. Mijn team (8) was het laatste, maar mijn naam werd niet afgeroepen. Ik bleef over met een paar Nepalezen, die nog ingedeeld moesten worden. Richardson hield zich eerst bezig met de Nepalezen. Kaci, mijn team leader zag me staan en begreep onmiddellijk wat er aan de hand was en duwde me in een oogwenk de deur uit voor dat Richardson het in de gaten had. Het was duidelijk dat hij mij voor het laatst wilde bewaren om een hartig woordje met me te spreken. Achteraf was het duidelijk dat hij zich wel aan mij had móeten ergeren en zijn frustratie tijdelijk op iemand ander had afgereageerd. Later kwam ik te weten dat Kaci haar beleid tegen over de Moonies verdedigde, dat de mensen van haar team nooit direct door de leiding mochten worden aangepakt maar alleen via haar, anders dreigde ze op te stappen. Gezien Richardsons koortsachtige staat zou dat met mij waarschijnlijk een knallende confrontatie geworden zijn, die ermee zou kunnen eindigen dat ik werd weggestuurd. Kaci overzag het in een oogwenk en haar duw redde me voorlopig.

Vlak daarna hoorde ik dat Debby de zondebok was geworden; omdat ze had gelachen of gekletst tijdens de rede was Richardson zo uitgevallen. Hij had haar ontboden, zeer onvriendelijk toegesproken en gedreigd haar bij het minste of geringste weg te sturen. Zo te zien had Debby zich niet in laten pakken, hij had haar niet klein gekregen.

 

29

 

Over die rel werd druk gepraat. Er kwam bij sommigen ook een nieuw besef: weggestuurd worden leek eerst geen probleem, so what? Dat werd het nu wel. Er werd druk gespeculeerd wie er zouden worden weggestuurd. Eigenlijk wilden we elkaar niet verliezen, zeker niet op dit kritieke moment. René vertelde later in Holland dat hij op de slaapzaal Bob O'Brien met een Moonie had horen praten over wie er weggestuurd zou worden, maar hij had geen namen kunnen opvangen, een teken te meer dat Bob niet deugde. Die avond kwam Patricia terug van New York en een oceaan leek ons te scheiden. Ik had iets totaal anders mee gemaakt dan zij en toen Hadewych en ik haar probeerde te vertellen dat het fout zat in Barrytown, zag ik dat ze het niet begreep. Ze was er luchtig over: ze zei dat Richardson misschien nog geen goed vaderhart had (Moonie-jargon) en dat wij hem daarbij moesten helpen. Bovendien kon ik altijd naar John Maniatis, die zou alles recht kunnen trekken. Maniatis was de top-Moonie in Barrytown, hij regelde alle wetenschappelijke conferenties waar de Moonies de hand in hadden en hij regelde onze trip ook, maar wel achter de schermen: Richardson was in front. Ter wille van Patries besloot ik met hem te praten en dan iets te gaan doen, dan had ik ze tenminste eerlijk gewaarschuwd. Die avond kon ik hem niet vinden. Voor het slapen nam ik met Michael de zaken door, zodat we gerustgesteld konden gaan slapen bij het geluid van Iers gesnurk. Ik begon hem met de dag beter te waarderen, ook al gingen we overdag niet direct met elkaar om. Als hij praatte (en bij deed niks anders) was het één stroom associaties, doorspekt met songteksten en deuntjes, de een nog absurder dan de andere en commentaar op zijn eigen woorden en commentaar op zijn commentaar: het leek een wandelende James Joyce. De volgende ochtend kwam er weer zo'n domme lezing, dus verdween ik naar buiten, maar niet vóór ik Maniatis te pakken had. Kort en snel zei ik dat de zaak op springen stond, dat er snel iets moest gebeuren en dat Richardson fout was. Maniatis was een lange, keurig geklede man, donker, bril, vroeger bibliothecaris en zo zag hij er ook uit. Hij was beheerst. Hij hield een heel verhaal, eerst dat hij er niets van geweten had dat het allemaal zo erg was, daarna dat we het niet op confrontatie moesten laten uitlopen, maar dat we er met zijn allen er iets aan moesten doen. Hij probeerde geruststellend te klinken, maar hij bleef op afstand. Het was duidelijk dat hij zich zelf belangrijk vond en dat hij zich nauwelijks verwaardigde naar mij te luisteren. Het was er al mee begonnen dat ik hem ruw had onderbroken toen hij met een teamleader stond te praten. Ik was er niet zeker van of hij de waarheid sprak toen hij zei dat hij niets van alle toestanden af wist. Later wist ik zeker dat hij stond te liegen. Ik hoorde zijn verhaal uit met een half oor: smoezen interesseerden me niet, ik had hem in elk geval gewaarschuwd. 's Middags zou er een public meeting zijn, dan zouden we verder zien. Ik verdween naar buiten: het was prachtig daar, maar zodoende

 

30

 

miste ik één van de spectaculairste momenten van de reis.

Voor we zover zijn, nog twee dingen. Eerst Patries: die had iets heel anders doorgemaakt dan wij, maar het viel op dat ze er heel weinig over te zeggen had. De plechtigheid zelf, vooral het watersproeien van Moon, was een ‘hele diepe ervaring’. Hij had de nieuwe paren ook nog apart toegesproken en geïnstrueerd: Sun Myung Moon zei dat ze nu geen Moonies meer waren maar Sunnies. Met Patries kwam een hele groep Sunnies terug naar Barrytown, die om ons heen hingen. Patries kwam in mijn team en begon energiek tegen iedereen aan te praten; iedereen vond haar aardig in het begin.

En dan nog een drama: een Amerikaan, Riley, hoorde dat zijn broer een ongeluk had gehad (op een motor geloof ik) en spoedde zich naar huis. De toestand was kritiek, Richardson kondigde het dramatisch aan en vroeg of we gezamenlijk wilden bidden voor hem. Dat was een bevel. De mensen gingen in een kring staan, hielden elkaars hand vast en Richardson begon te balken met overslaande huilerige stem, riep tien keer ‘Oh Lord’ en tien keer ‘Please save him’ en ‘Have mercy’ in de beproefde Billy Graham-traditie. Wat de participants betreft, sommigen deden oprecht mee, anderen wisten niet wat ze overkwam. Ik stond er vlakbij naar te kijken, ik vond het een gênante vertoning. Op een gegeven moment pakte iemand mijn hand en trok me de groep in voor ik wist wat er gebeurde. Het was een redelijke knappe vrouw van middelbare leeftijd, die me dicht naar zich toe trok. Terwijl Richardson door zwijmelde gebeurde er iets zeer fysieks. De vrouw was Lynne Bettis, de echtgenote van Joe Bettis, een van de belangrijkste teamleaders. Toen de vertoning voorbij was lachte ze me vriendelijk toe en dat was dat. Later voerden de Moonies en Moonieheulers dit evenement aan als een van de hoogtepunten van de trip, als een spirituele happening van de eerste orde. De broer stierf trouwens, maar Riley kwam terug naar Barrytown en maakte de reis mee, hij was een Moonieheuler.

Terug naar de ochtend van 4 juli, Independence Day. Toen ik 's middags terug kwam, was iedereen in rep en roer: Richardson was en plein public in huilen uitgebarsten en ingestort. Ik hoorde alles in geuren en kleuren; later heb ik er een tape van gehoord, die er niet om loog. Die tape was van René, maar in Barrytown ontkende hij tegen Patries en ieder ander dat hij er een had. De Moonies vroegen rond wie het getapet hadden. De meesten hadden de knop uitgezet toen het begon, fatsoenshalve;  dat vond ik onbegrijpelijk. Nu in Holland heeft René me nog bezworen absoluut niemand te vertellen dat hij Richardsons breakdown integraal op tape heeft. Die ochtend zou er een lezing zijn; die is er misschien ook wel geweest, maar in elk geval was de directe aanleiding dat Michael Richardson openlijk aanviel, heel droog en zakelijk en beheerst. Die aanval had een voorgeschiedenis: De eerste dagen waren besteed aan lezingen over de wereldgodsdiensten, gehouden door...

 

Naar aflevering 7

 

Naar INHOUD