.

31
...de participants zelf die die religies beleden. Het punt is dat Richardson echter uitmaakte wie er mocht spreken en hij haalde die lui naar voren, die hem het meest bevattelijk leken voor de Moonie ideologie en het meest in zijn straatje praatten. Rondom die lezingen was het een gekonkel van jewelste, vooral onder de christenen. Ik stond daar helemaal buiten, maar Michael stond er midden in. Het ging er de Moonies om de christenen, protestanten en katholieken zoveel mogelijk tegen elkaar uit te spelen en met elkaar te laten harrewarren, zodat de anderen een zo slecht mogelijk beeld ervan zouden krijgen. Daarbij zou het gesloten front, de eendracht en de tolerantie van de Unification Church gunstig afsteken. De christenen moesten elkaar zoveel mogelijk in de haren zitten en dan zouden de Moonies voor de grote verzoeners spelen. Om dit doel te bereiken snoerde Richardson de beste christen-sprekers de mond en pousseerde hij Moonie heulers die in zijn straatje praatten, onder andere de neger Darren Smith, met wie ik nog door New York was gelopen; hij ging door voor katholiek. De dag, die aan het christendom was gewijd, werd inderdaad een puinhoop, maar het resultaat was dat de christenen een front gingen vormen tegen de Moonies en hun ‘positieve grondhouding’ (CDA-jargon) lieten varen. Ze zien de Moonies toch al als upstarts met een hoop pretenties, en dit ging te ver. Michael begon zijn geloofsgenoten een militante houding bij te brengen. De aanval van Michael ging over het gekonkel van Richardson. In een heel betoog riep hij hem ter verantwoording; toen Richardson moest antwoorden brak hij vrijwel meteen in huilen uit en viel op zijn knieën. Iedereen was met stomheid geslagen. Het huilen en snikken ging maar door, maar ondertussen hield hij een dramatische rede: hij smeekte iedereen om vergiffenis voor zijn fouten, hij gat toe dat hij velen gekwetst had, maar hij had zo'n spijt, hij was een en al deemoed. Hij had ook zo hard voor ons gewerkt. Hij wilde het eerst niet doen (snik) maar Reverend Moon had gezegd dat het moest (snik) en het was toch zo moeilijk om jonge mensen aan te werven, en toen had hij gedacht om maar ouderen zoals Michael aan te nemen, zodat de jongeren geïnspireerd konden worden (snik) door de ervaring van de ouderen. Hiermee gaf hij dus het falen van zijn wervingsbeleid toe, maar hij hield zich net in en zei niet dat die ouderen de bron van alle ellende waren. Opnieuw smeekte hij om vergiffenis, hij rolde over de grond en hij zag er deerniswekkend uit. Hij somde op wat hij allemaal aan voorbereidingen gedaan had. Hij had echt het beste met ons voor (snik). Ineens stond hij op en zei: ‘O.K., it's time to eat’ of iets dergelijks. De zaal liep leeg. De meesten waren ervan onder de indruk, waren gegeneerd of hadden met hem te doen: ze konden hem niet goed meer aanvallen. De scherpere geesten vermoedden onmiddellijk dat dit theater was: Richardson had zich zo opgewerkt dat hij in tranen uitbarstte, zodat hij zich aan de kritiek kon onttrekken en medelijden kon opwekken door de martelaar te spelen.
32
Toen ik het hoorde, kwam ik tot dezelfde conclusie. Later werd dat versterkt: Richardson’s performance was een belangrijke aspect van de Moonie folklore: vaak als ze worden aangevallen en voelen dat ze gaan verliezen beginnen ze te janken en de martelaar uit te hangen – een typische jezuïetentrek. Op reis zouden we het nog vaker zien. Sharon vertelde later dat ze het in de keuken hoorde, haar team had corvee. Ze sprak daar een vrouw aan en vertelde het door. ‘Oh’, zei de vrouw, ‘he does that all the time’. Later bleek dat Richardson’s vrouw Dorothy te zijn. Later kwamen we er ook achter dat hij zelfs aan de universiteit zulke performances hield.
Die middag zou er een algemene bijeenkomst zijn waar er verder over zou worden gepraat. Vol verwachting toog iedereen er naar toe: Maniatis himself wachtte ons op en hield ter inleiding een kalmeringstoespraak: het was allemaal niet zo erg als het leek, Richardson was alleen een beetje overspannen. Die was zelf ook nog even op het podium, verstrikte zich in zijn eigen woorden en werd door Mel Prosen onderbroken, die hem en plein public als een psychiater toesprak dat hij hij niet zo opgefokt moest doen en de dingen anders moest brengen voor dit publiek. Dat was een openlijke vernedering, die hij wel móest slikken. Hij zei ‘O.K. Mel, I don't know how to say this, you say it’. Mel kon praten als een tranquillizer, korter, effectiever dan Richardson, relaxed manipulerend. Daarna Maniatis als kalmerend middel: cool, zakelijk, zeker van zichzelf, superieur aan iedereen, hij hoefde zich niet eens te bewijzen. Hij beschreef de voorbereidingen, wat ons te wachten stond, er was eigenlijk niets aan de hand. Over wat voorgevallen was zei hij praktisch niets. Ik herinner me één zin: ‘We do pretty weird things, but so do you’, met andere woorden, we moesten het van elkaar maar accepteren. Hij had een hoog hikkend lachje, heel eng: het was opvallend dat veel Moonies eng lachten.
Na Maniatis mochten de participants hun zegje zeggen: een paar begonnen aarzelend, zoekend naar woorden, verlegen met de situatie. Ik werd onrustig: dit was het moment en ze lieten het moment voorbij gaan. Toen stond Darren op, die een heel betoog hield dat we mee moesten ten werken om deze reis tot een succes te maken, dat we mee moesten leven met Richardson, en nog meer van zulke taal. Ik werd benauwd, dit ging precies zoals de Moonies wilde. Toen stond ik op en stak van wal, zo fel mogelijk. Ik weet niet precies meer wat ik gezegd heb, maar het trof doel. Ik zei waar het op stond: dat we ons geïntimideerd voelden, dat velen bang waren, dat we als kids in a summercamp werden behandeld, dat Richardson’s régime dictatoriaal was, dat het afgelopen moest zijn, dat we totale vrijheid moesten hebben en dat Richardson weg moest. En ik zei dat ik kwaad was. Toen ik ging zitten leek er een spell doorbroken, zowel voor mezelf als de anderen. Nu durfde iedereen vrijuit te praten: Chris kwam eroverheen en ook Bruce Tate, een zwarte gigant uit Chicago die een heel theater opvoerde door voor te doen hoe Betsy Colford hem had proberen binnen te halen toen hij 's avonds buiten wandelde: dat mocht blijkbaar niet. Er was grote hilariteit; veel
33
participants voelden opluchting: eindelijk vrij. Betsy stond op en bood haar excuses aan. De Moonies verzekerden dat ze alleen Richardson's orders hadden opgevolgd en dat het allemaal niets met de Unification Church te maken had. We zouden alle vrijheid krijgen, we mochten het terrein af, niemand zou meer met wegsturen worden bedreigd en Richardson zou met verlof worden gestuurd. Het leek een totale overwinning, de Moonies leken aangeslagen. Richardson's performance had hem niet geholpen; hij zat achterin als een geslagen hond. Toen ik de zaal uitliep, sprak hij me aan: hij vroeg hoe het toch allemaal mogelijk was, hoe de mensen dit allemaal konden denken. Ik zei dat we niet anders konden denken als we zo werden behandeld. Hij begreep meteen dat er niet te slijmen viel en wendde zich af. Hij zag er koortsig uit, had zijn gezichtsspieren niet onder controle en hij maalde met zijn kaken; misschien vermaalde hij denkbeeldig zijn vijanden. Mel Prosen legde zijn hand op mijn schouder en bedankte me dat ik had gezegd wat ik voelde. Ik liep zó van hem weg.
Die middag bepaalde mijn rol in het gezelschap: op slag was ik een rebellenleider, iedereen wist wie ik was. Ik werd met ontzag, afgunst of vijandigheid aangekeken door mensen met wie ik nog geen woord mee had gewisseld. Moonies en teamleaders meden me, Betsy praatte niet meer met me, Patries deed net of haar neus bloedde. Die middag was de stemming opgetogen. Alles werd uitgebreid herkauwd aan de beruchte tafel, waar het krioelde van de mensen. Ik kreeg een lading schouderkloppen en bemoedigende blikken en een paar afgunstige blikken, alsof ze wilden zeggen no big deal. Er kwam een mooie negerin, Deloris op me af, die me uitgebreid bedankte, innig, ze pakte me vast: dat was een verrassing. Het was het begin van onze vriendschap. Deloris kwam van Chicago, ze was klein, fraai gevormd, kroeshaar dat ze vaak met een doek bedekte en sexy. Daar speelde ze mee: ‘I like to flirt’, zei ze meteen. Ze kon heel makkelijk physical worden zonder dat jongens het in hum hoofd haalden haar serieus te gaan versieren. Ze was theatraal, had ook een theateropleiding gedaan en bezat een fraai taalgebruik. Als ze iets veelbetekenends wilde zeggen deed ze dat kort en ingehouden en voegde eraan toe: ‘Do you know what I'm sayin’?’ Het was haar favoriete stopwoord.
Het was een lust haar met Christian te zien, hoe ze over het haar op zijn arm streek, met een lichte kreun. ‘Oh I gotta get to Paris, I must!’ zei ze dan, Christian was het roerend met haar eens. Deloris' warme gloed over me heen leek wel een beloning. Ze had een hoop te vertellen: ze had een medisch probleem, was naar Richardson gestapt en had gevraagd of ze weg mocht om medicijnen te halen. Hij weigerde en dwong haar te zeggen wat ze had, wat vernederend was. Hij zou het wel iemand laten halen. Deloris was woedend, Richardson noemde haar een troublemaker en begon te dreigen. Op het kritieke moment kwam een vader van een participant binnen, een top TV-producent; mij zei zijn naam niets, maar de Amerikanen kenden hem wel. Hij bood haar een lift aan en Richardson had het nakijken, hij moest hem wel te vriend houden. Ze voelde zich bevrijd van een gevangenis, ze kwam wat bij in New York,
34
waar ze oorspronkelijk vandaan komt, maar ze was nog zo angstig dat ze de FBI heeft gebeld om te vertellen wat er in Barrytown gebeurde. Ze was eerder al een keer door Moonies tegengehouden toen ze het terrein af wilde. De FBI bleek niet op de hoogte van onze aanwezigheid in het Mooniehol. Ze stelden haar gerust en beloofden de zaak in de gaten te houden. Deloris had toen ze terug in Barrytown was haar hart gelucht bij Darren, dus ze voelde zich door hem verraden toen hij het die middag voor de Moonies opnam. Ze was me dankbaar dat ik daarop het een en ander had gezegd.
Ze wist een hoop van de Moonies. Ze had Reverend Moon in Chicago gezien, omringd door een grimmige lijfwacht. Ze zei dat de Moonies een eed moesten zweren om desnoods te sterven voor Moon. Ze had een vriendin in de U.C. die eigenlijk flipte, maar er niet meer uit kon. Dat kon ik me wel indenken: als je er al 8 jaar inzit en al je schepen achter je hebt verbrand heb je niets meer om naar toe te gaan. Patries is net zo. De U.C. is haar wereld, daarbuiten is er niets meer. Ze was het roerend met me eens dat we niet moesten geloven dat de Moonies nu verslagen waren. ‘Plan A failed, now they'll come up with Plan B’, zo zag zij dat. Voor scherpe waarnemers was het duidelijk dat de Moonies Richardson als zondebok hadden opgeofferd, maar je moest niet verwachten dat ze hun oogmerken opgaven. Ik had het idee dat de Moonies in Deloris een prime target hadden gezien, maar Richardson had haar alle lust ontnomen. Ze is de hele reis een van de onverzoenlijkste deelnemers geweest.
Maar voorlopig vierde de euforie hoogtij: nu zouden wij de zaak regelen, de boeman was opgeruimd, wij zouden de reis wel even naar onze hand zetten. 's Avonds gingen we en masse het terrein af, naar de Hudson: we vonden een open plek aan de rivier vlak bij een aanlegplaats vanwaar Amerikanen hun 4th of July vuurwerk afschoten; ook van de overkant kwamen vuurpijlen. Ik vond het prachtig, ik heb bijna niets gezegd. Er werd een groot vuur gemaakt, René was daar goed in. Twee Perzen hadden een wrakkige cassetterecorder met Perzische muziek. Alcohol en drugs ontbraken helaas, maar het was een goed begin. Mijn gedachten woeien alle kanten op: terug naar Holland, naar het vuurwerk van nieuwjaar met Sas en Ankie – het Amerikaans vuurwerk knalt minder hard, ik miste de gillende keukenmeiden –, naar het nieuwe image waar ik mee zat opgescheept. Ik vroeg me at wat ik hier in godsnaam deed. Uiteindelijk voelde ik me gescheiden van alle anderen. Ik wist niet wat ik tegen Geraldine en Debby moest zeggen, maar dat gaf trouwens niets. Ik had het idee dat ik voor die rede fors energie had gespendeerd, ik was een beetje daas.
De tijd in Barrytown valt duidelijk op te splitsen, voor en na 4 juli. Alles was nu open, er gebeurde van alles, de ergste paranoia was verdwenen. Richardson liep nog een paar dagen rond zonder publiekelijk op te treden, toen verdween hij. Een groep teamleaders nam de zaak over. Dat waren er vooral drie: Mel Prosen, Randy Huntsberry (alletwee al genoemd) en Joe Bettis, die in Richardson's plaats de officiële aankondigingen deed. Bettis maakte een joviale indruk: hij was weg geweest tijdens Richardson's breakdown. Bij zijn eerste optreden zei hij lachend: ‘Well, it seems we (hij en zijn vrouw Lynne) missed the real fireworks!’ Hij had een gemoedelijk Texaans accent. Hij was een man
35
van middelbare leeftijd, gebruind, energiek, witgrijs kalend, een witgrijze snor, brede lach en aanstellerig galant voor vrouwen, een gladde jongen, een godsdienstwetenschapper. Debby zat in zijn team en had binnen de kortste keren mot met hem, maar in Barrytown leek hij voor de meesten heel aimabel. Ondertussen werden er steeds meer Moonies aan de teams toegevoegd: hun aantal steeg van 4 naar 13. Dat baarde ons zorgen; ze zouden zogenaamd meegaan in een dienende functie, er was zo veel te doen op reis. In mijn team bijvoorbeeld zaten al Randy en Krishna als teamleaders, allebei Moonieheulers, maar er kwamen er drie bij: twee Moonies, Patries en Bob Mason (een van de heavieste Moonies) en ook Richardsons dochter Sarah, een bitch, ze aarde duidelijk naar haar vader en niet naar haar zachtaardige moeder: ze had een harde, schorre stem, een rattekop, een harde blik en altijd een lange jurk (walgelijk), net als de Moonie vrouwen, met wie ze veel aanpapte. Ze had ook meegedaan aan de voorbereiding voor deze reis. Ze leek me niet erg godsdienstig, maar vooral geïnteresseerd in power, net als haar vader. Ze was een Moonieheulster, maar anders dan de andere participants. Die waren op hun manier naïef, maar zij was hard en cynisch, net als veel teamleaders, ze deed ook volwassen vergeleken bij haar leeftijdsgenoten, ze had een gebiedende stem, zeker van zichzelf. Ze had ook niet die hysterische verdrongen seksualiteit van de Moonievrouwen: ze combineerde hardheid met geilheid, er valt me een woord in dat ik uit haar mond heb gehoord: sleazy. Dat woord is goed genoeg voor haar. Ze ging nooit tegen me in, dat durfde ze niet. Haar houding ten opzichte van mij was ambivalent, zou Freud zeggen, ik had haar vader (haar model) afgemaakt.
De kalmeringspolitiek van de Moonies lukte maar half: de zwakkeren vonden dat ze al genoeg spanningen hadden gehad en wilden zich verder amuseren. Ze wilden niet meer moeilijkheden maken om spanningen juist te vermijden. De sterkeren (dat waren er tientallen) hielden hun wantrouwen. We zouden de Moonies gewoon uitbuiten: na Richardsons dictatuur waren we geen enkele dankbaarheid meer verschuldigd. Ze zaten met ons opgescheept, ze konden niet meer terug. Het regende grappen en grollen over de Moonies, Richardson werd met hoon overladen en de Moonies moesten alles maar slikken en blijven lachen. Ik zat een keer binnen met René en Marcella te kletsen over de lopende zaken, toen we werden afgeluisterd door een Nieuw-Zeelandse Moonie vrouw van Belgische komaf. Ze zat op een afstand, maar ik had het al een tijd in de gaten. Dit zou nog vaak voorkomen. Ik had besloten niets te doen, maar als ik het in de gaten had, was ik zo grof en beledigend mogelijk. Ik zei bij die gelegenheden herhaaldelijk dat we afgeluisterd worden, maar als de Moonies één keer zouden proberen om iets tegen me te gebruiken wat ze hadden afgeluisterd, dan zou ik hun praktijken openlijk aan de kaak stellen. (Moet je mij horen: dit klinkt me iets te zelfgenoegzaam). Dat maakte in de eerste plaats de klikspanen nerveus, ten tweede hield het de leiding er van af om me mijn meer extreme uitlatingen voor de voeten te gooien. Richardson had Debby haar eigen...
Naar aflevering 8
Naar INHOUD